De meesterschapsteams Nederlands over een nieuw curriculum

door Peter-Arno Coppen

Sinds de meesterschapsteams Nederlands in januari 2016 hun Manifest Nederlands op School publiceerden en daarbij het begrip bewuste geletterdheid introduceerden, heeft de tijd niet stilgestaan. De door de overheid ingezette herbezinning op het onderwijs (Onderwijs 2032) heeft een opvolger gekregen in Curriculum Nu, waarin docentontwikkelteams per leergebied het komend jaar de bouwstenen moeten leveren voor een nieuw curriculum. Ondertussen hebben de meesterschapsteams verder gewerkt aan de uitwerking van het begrip bewuste geletterdheid, onder andere door zelf met docentontwikkelteams aan de slag te gaan om materiaal te ontwikkelen. Afgelopen vrijdag publiceerden zij op hun website een visiestuk. Waar komt dat vandaan?

In het kader van Curriculum Nu waren de meesterschapsteams uitgenodigd om hun visie op een nieuw curriculum uit te werken, met name met betrekking tot ‘het wat.’ Curriculum Nu beperkt zich in eerste instantie tot het wat, het hoe komt later pas aan de orde.

Voor de uitwerking van die visie hebben de meesterschapsteams ruggespraak gevoerd met verschillende betrokkenen bij het schoolvak, onder andere op een tweedaags symposium eind september 2017. Daar hebben zij met andere neerlandici (vakwetenschappers en vakdidactici) gediscussieerd over de inhouden van het vak, en de vaardigheden die wat hun betreft essentieel zijn voor het schoolvak.

In een visiestuk van 10 pagina’s schetsen de meesterschapsteams nu de contouren van hun visie, aan de hand van de zogeheten ‘grafische leerdoelenkaarten’ van het schoolvak. In een vergelijking van de leerdoelenkaarten van alle vakken constateren zij dat de meeste vakken een uitwerking laten zien van inhouden en vaardigheden, terwijl bij Nederlands (en de moderne vreemde talen) aparte inhouden ontbreken, of liever: de vaardigheden zijn opgevoerd als de enige inhouden van het vak. Daardoor blijven de inhouden van de hedendaagse neerlandistiek (wat weten we eigenlijk van taal, taalgebruik en literatuur?) grotendeels buiten beeld.

Een tweede opvallend verschil tussen de taalvakken (behalve klassieke talen) en de “normale” schoolvakken is, dat de eerste zich ongeveer beperken tot de “kale” taalvaardigheid (lezen, schrijven, luisteren, spreken), terwijl gewone schoolvakken ook algemenere vaardigheden omvatten, zoals informatievaardigheden en onderzoeksvaardigheden, die ook bij een schoolvak als Nederlands niet zouden misstaan, en die zelfs goede kansen bieden tot vakoverstijgend aanbod.

Daaruit leiden de meesterschapsteams twee doelen af:

  1. De neerlandistische inhoud van de neerlandistiek moet, vertaald naar het schoolvak, nader gedefinieerd worden.
  2. De vaardigheden bij Nederlands moeten worden verrijkt.

Met de vakwetenschappers en vakdidactici hebben de meesterschapsteams in september 2017 gediscussieerd over een goede indeling van het vakgebied, en zij kwamen daarbij uit op een indeling in perspectieven. Dit werd met name hierom een aantrekkelijke indeling gevonden, omdat het denken vanuit meerdere perspectieven (in plaats van meteen één perspectief en één “goed antwoord” kiezen) als het belangrijkste tekort van de afgestudeerde scholier werd gezien.

Vier perspectieven lijken geschikt om elke kwestie op het vakgebied te bestrijken:

  1. Het systematische perspectief: hoe zit het in elkaar? Wat zijn de elementen en de factoren in een bepaalde kwestie?
  2. Het cognitieve perspectief: hoe is de kwestie gerelateerd aan individuele personen, hun talige of literaire vermogen, of (in laatste instantie) aan hun denken en breinfuncties?
  3. Het sociale perspectief: hoe is de kwestie gerelateerd aan sociale verhoudingen?
  4. Het historische perspectief: hoe zat het vroeger, zijn er in het verleden parallellen aan te wijzen, en kun je op grond daarvan uitspraken doen over veranderingen in het heden of de toekomst?

Over de precieze karakterisering van de inhouden kun je twisten, maar de indeling die de meesterschapsteams geven mikt op een totale afdekking van het vakgebied, vertaald naar de schoolcontext op een zodanige wijze dat je elke inhoud op elk niveau zou kunnen behandelen. Je kunt bijvoorbeeld in elk schooltype, in elk leerjaar wel iets zeggen over taalverlies dat relevant is voor leerlingen.

Hoe moet het verder? In het komende jaar zullen de meesterschapsteams nog verder overleggen met allerlei betrokkenen over de uitwerking van deze denkrichting. Hopelijk raakt ook het ontwikkelteam van Curriculum Nu erdoor geïnspireerd.

Van het document bestaat ook een handzame samenvatting in de vorm van een flyer.

Dit bericht is geplaatst in Neerlandistiek voor de klas met de tags , , . Bookmark de permalink.