Bezie de kinderen niet te klein

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (162)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

 

Bezie de kinderen niet te klein:
Zij moeten veel verdragen –
eenzaamheid, angsten, groeiens pijn
en, onverhoeds, de slagen.

Bezie de kinderen niet te klein:
Hun eerlijkheid blijft vragen,
of gij niet haast uzelf durft zijn.
Dàn kunt ge ’t met hen wagen.

Laat uw comedie op de gang
– zij weten ’t immers tòch al lang! –
Ken in uzelf het kwade.

Heb eerbied voor wat leeft en groeit,
zorg dat ge het niet smet of knoeit. –
Dan schenk’ u God genade.

(Ida Gerhardt, Sonnetten van een leraar)

Toen ik nog jong was en onbezonnen, liep ik bijna iedere dag langs dit gedicht, net als tal van andere geleerden. Het was door een voormalig rector van de Leidse universiteit uitgekozen toen hij een gedicht op de muur van de Leidse letterenfaculteit mocht laten schilderen.

Dat is allemaal heel eigenaardig als je in beschouwing neemt dat er twee keer een uitdrukking in wordt herhaald die niet meteen duidelijk is: “bezie de kinderen niet te klein”. Ik weet eigenlijk niet wat dat precies betekent, en kan het ook nergens vinden. Het is natuurlijk niet uitgesloten dat die rector en al die geleerden die er iedere dag voorbij lopen dingen weten die ik niet weet, maar ik kan de constructie bezien met dan zo’n woordgroep als ‘de kinderen niet te klein’ niet aan.

Het werkwoord bezien ken ik natuurlijk, maar dat heeft voor mij alleen een enkelvoudig voorwerp: ‘bezie de mens’, ‘ik bezag hem met enige verwondering’. Ik weet ook dat sommige werkwoorden met van die combinaties van een zelfstandignaamwoordsgroep met een bijvoeglijknaamwoordsgroep gecombineerd kunnen worden: ‘ik vond de kinderen te klein’, ‘hij maakte de kinderen te klein’.

Zoals uit die voorbeelden blijkt, kan de relatie tussen ‘de kinderen’ en ‘te klein’ enigszins verschillen, afhankelijk van het werkwoord. Als je vinden gebruikt, zíjn de kinderen te klein, bij maken wórden ze te klein. Hoe zit dat nu met bezien? Het meest logisch lijkt mij, gegeven de hele context, om te denken dat het zoiets betekent als vinden en dat de hele zin dus zoiets betekent als ‘beschouw de kinderen niet als kleiner dan ze feitelijk zijn’. Maar hoe kom ik tot die conclusie? En waarom hebben al die geleerden nooit iets over die onduidelijkheid gezegd?

Spreken jullie allemaal wel dezelfde taal als ik?

 

Update 09:35, Via Twitter kreeg ik deze tip.