zwak

Door Michiel de Vaan

zwak bn. ‘krachteloos’

Vroegmiddelnederlands zuakart (1272), swakard (1291) ‘Zwakaard’, bijnaam ; Mnl. zwack ‘buigzaam’ (van hout), ‘gebrekkig’, ‘zondig, slecht’, Zuidoostmnl. ook swaeck, swake ‘buigzaam, ziek’; Nieuwnl. swack ‘krachteloos’ (1528), ‘buigzaam, soepel’ (1599). Ook in alle moderne dialecten kan zwak nog ‘lenig, vlug’ betekenen. Het Limburgs heeft veelal z(j)waak ‘zwak’ met gerekte klinker. ‘Lenig’ is gezwak in Belgisch Limburg en gezwank in Nederlands Limburg. Werkwoorden: Mnl. swacken en swaken ‘verzwakken, zwak maken & zwak worden’, Nnl. swacken.

Verwante vormen: Middelnederduits swak ‘zwak’, Middelhoogduits swach ‘armzalig, gering’, Nhd. schwach ‘zwak’. Uit Westgermaans *swaka- ‘zwenkend, beweeglijk’. Aan swa(c)ken verwante werkwoorden zijn Middelhd. swachen ‘zwak worden’, Mnd. swaken uit *swakēn ‘zwenken, zwak worden’, en Mnd. sweken ‘zwak maken’, Mhd. swechen, Nhd. schwächen uit overgankelijk *swakjan– ‘doen zwenken’. Oudhoogduits swahhazzen ‘sidderen’ < iteratief *swakatjan.

De oudste betekenis was ‘buigzaamʼ, zodat we zwak kunnen verbinden met de groep van zwenken ‘doen wenden’, Mnl. swanken ‘wankelen’ en Nnl. zwank ‘slank’, woorden die afgeleid zijn van het Germaanse ww. *swingwan zoals voortgezet in Engels to swing, Duits schwingen ‘slingeren, zwaaien’ (van een PIE wortel *swengwh). De k in *swenk-, *swank- moet secundair ontstaan zijn (vgl. een soortgelijke verhouding tussen klinken en Duits klingen), en Westgm. *swaka– heeft zijn k dan weer op swank- gebaseerd, maar het exacte model voor de vorming van *swaka- is niet duidelijk. Vooral moet nog verklaard worden, waarom *swaka- als enige afleiding van deze wortel geen interne -n- heeft.

Literatuur:

Frank Heidermanns, 1993, Etym. Wb. der germ. Primäradj., p. 571, 573.