Zij wonen samen in dit veilig land

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (158)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Portret Theodora van B.

De vrouw, die ordent in het ochtendlicht
bloemen, instrumentarium en boek,
tipt nog een droppel met een witte doek
en stelt de stoel, die stijgt zonder gewicht.

De morgenruiker houdt nog knoppen dicht.
De kamer wacht, gereed, het vroeg bezoek.
Het nadert, kaatseballend, om de hoek:
het kind komt binnen met een fris gezicht.

Er is bedrijvigheid. Het vult het glas
en zet zich ernstig in de goede stand.
Het wacht de handelingen die het kent.

Tussen zacht babbelen tikt het instrument.
Zij wonen samen in dit veilig land.
Het blonde kind. De vrouw in witte jas.

(Ida Gerhardt, uit De slechtvalk)

Een gedicht uitleggen is altijd ook het gedicht een beetje verpesten. In dit ‘portret’ van Theodora B, komt Theodora ogenschijnlijk alleen voor in de eerste paar regels en de laatste paar – althans, het is logisch om te veronderstellen dat zij ‘de vrouw’ is waar het daar om gaat. (In haar informatieve en mooie biografie legt Mieke Koenen uit dat Gerhardt haar tandarts zeer dankbaar was; en dat deze net overleden was.) Verder gaat het over de kamer, de bloemen en het kind, en dat alles op een onpersoonlijke manier (‘er is bedrijvigheid’). Die vrouw heet ‘de vrouw’ en omdat ze ook nog eens een witte jas aanheeft is ze een instantie.

Tegelijkertijd is dit gedicht wel degelijk een portret – een portret van iemand die kennelijk samenvalt met haar omgeving en het kind dat ze verzorgt, maar die precies in dat samenvallen haar persoonlijkheid vindt.

Waarom zou het gedicht minder mooi zijn geweest als de dichter expliciet had gemaakt dat Theodora tandarts was? Je maakt het nu op uit drie details: de witte jas, het glas en de stoel die ‘in de goede stand’ moet worden gezet – nu niet bepaald de centrale attributen van het tandartswezen, maar bepalend genoeg om eenduidig te zijn.

Het heeft iets te maken met Theodora, de onnadrukkelijke manier waarop zij kennelijk zo’n kind tegemoet treedt, zodat het ook zelf min of meer vergeet dat het bij de tandarts zit. Het gedicht representeert zelf het ‘zachte babbelen’ waartussen alleen onnadrukkelijk een instrument tikt. Theodora maakt het beangstigende tot een ‘veilig land’ door aandacht te besteden aan de details. Net als de dichter, in ieder geval in dit gedicht.

Er zijn ook nog wel een paar geheimzinnige details. Vooral: wat is dat voor boek? Wat doet dat in een tandartsenpraktijk?