Wetenschappelijke argumenten voor bezorgdheid over verengelsing aan de universiteit

Door Freek Van de Velde

In Nederland woedt dezer dagen een debat over verengelsing aan de universiteit. Hoe breed dat debat gevoerd wordt, en of naast een handvol journalisten, politici, en natuurlijk de werknemers aan de universiteiten zelf nog andere mensen onrustig slapen door de tsunami van het Engels, is moeilijk in te schatten. Je zou denken dat ook taalkundigen zich niet onbetuigd laten in die hetze – noblesse oblige – maar dat valt een beetje tegen. Ze roepen minder hard dan de politici. Dat is eigenlijk niet zo vreemd. Het komt wel vaker voor dat wetenschappelijke specialisten juist terughoudend zijn om opinies te ventileren over onderwerpen in hun eigen domein. Ik denk dat dat komt omdat heel wat specialisten het niveau van de discussie meestal te laag vinden, denken dat leken toch geen zin hebben in genuanceerde visies, en de specialisten zelf geen zin hebben om allerlei halve waarheden te ontkrachten. Dat is inderdaad ook erg vermoeiend. Maar er zijn nog twee andere redenen waarom taalkundigen, en dan vooral neerlandici, die zich toch bedreigd zouden kunnen voelen, minder verontwaardigd staan te roepen dan je misschien zou denken. Ten eerste denken neerlandici: het loopt vast niet zo’n vaart. Het Nederlands is niet ten onder gegaan aan het Latijn, het Frans en het Duits toen dat de toonaangevende cultuurtalen waren, dus met het Engels zal het ook wel meevallen. Ten tweede willen taalkundigen, die zich in meerderheid in het linkse progressieve kamp bevinden, niet graag geassocieerd worden met wat ze beschouwen als akelige nationalistische types, die Nederland, en het Nederlands, graag vrijhouden van vreemde smetten. Dat verengelsing van het academisch onderwijs mensen uit lagere sociaaleconomische milieus benadeelt, houdt die progressieve taalkundigen verrassenderwijs wat minder bezig.

Er zijn ook taalkundigen die zich wél mengen in het debat. De onvermoeibare Marc van Oostendorp bijvoorbeeld. Die ranselt graag elke emotionele voorvechter van het Nederlands terug in de loopgraven waar ze zich verongelijkt teweer stellen tegen het Engelse gevaar. Zijn belangrijkste argument is dat de paniekzaaiers eigenlijk zelden met goede argumenten komen aanzetten: “Weer dezelfde clichés zonder enige empirische onderbouwing”. Van Oostendorp heeft in zoverre gelijk dat de opiniestukken inderdaad vaak een nogal anekdotisch en karikaturaal beeld ophangen van hoe het Engels functioneert aan de universiteit, met collegezalen waarin docenten zogezegd steenkolenengels spreken tegen Nederlandse studenten die hun eigen taal verkwanselen, in het bijzijn van één verbaasde Poolse student, die juist naar Nederland is gekomen omdat die college wou krijgen in het Nederlands. Dat is een nogal kras voorbeeld, maar ik weet niet of iets minder krasse, maar toch absurde situaties niet voorkomen. Wat in ieder geval niet klopt is dat er geen wetenschappelijke argumenten zijn om je zorgen te maken over de toenemende invloed van het Engels. Een paar feiten:

  1. Er is vrij wat wetenschappelijke literatuur over taalkundige rechtvaardigheid (in het Engels ‘linguistic justice’), onder andere van de beroemde Belg Philippe van Parijs, die als de grondlegger van dat domein beschouwd wordt. En hoewel daar niet een aartsreactionaire anti-Engelse trom geroerd wordt, en integendeel allerlei voordelen van het globale gebruik van het Engels sterk aangezet worden, is er toch reden tot bezorgdheid. Er is een mooi stuk van Helder De Schutter, dat binnenkort verschijnt: ‘Global Linguistic Justice and English as a Lingua Franca’ (In: F. Grin & P. Kraus (eds.), The Politics of Multilingualism. Linguistic Governance, Globalisation and Europeanisation. Amsterdam: John Benjamins), waarin gewezen wordt op allerlei vormen van morele onrechtvaardigheid van het gebruik van het Engels als lingua franca. Dat stuk van De Schutter gaat over de positie van het Engels in de wereld, en dus niet specifiek over de verengelsing van de Nederlandse universiteiten, maar er staan wel argumenten in die nuttig kunnen zijn in een wetenschappelijk gefundeerd debat over dat onderwerp. Tenzij je taalfilosofie niet als wetenschap beschouwt. Maar dat is een heel andere kwestie.
  2. In landen zoals Nederland of België, waar de meerderheid van de kinderen niet opgevoed wordt in het Engels, moet je een hoop geld, tijd en energie pompen in lessen Engels. Dat moet de samenleving doen, bijvoorbeeld met belastinggeld, maar ook het individu zelf, niet alleen voor privé bijles, maar ook door de tijdsinvestering. Er is becijferd dat het leren van een taal gemakkelijk 10.000 tot 15.000 uur kost (na te lezen in het net genoemde artikel van De Schutter). Dat zijn uren die een Brit of een Australiër aan wiskunde, aardrijkskunde, economie of computerprogrammeren kan besteden. Dat is niet niks. Over dat argument hoor je opvallend weinig. Ook van politici, die anders wél meteen denken aan de kosten op maatschappelijke en individueel vlak. Ik denk dat dat komt omdat iedereen ervan uitgaat dat Nederlandse studenten en docenten Engels vanzelf oplepelen door naar Netflix te kijken of muziek te beluisteren, en dat die kosten te verwaarlozen zijn. En natuurlijk moet je die kosten sowieso maken. Je kunt het je niet permitteren om jonge onderdanen van het rijk geen Engels aan te leren. De vraag is natuurlijk hoe ver je daarin moet gaan. Iemand die een opleiding geschiedenis volgt, een eindscriptie maakt over een historisch onderwerp over de Lage Landen, en die later leraar vaderlandse geschiedenis wordt op een middelbare school, is die werkelijk gebaat met al die colleges academisch Engels die hij heeft moeten volgen om zijn ondertussen grotendeels verengelste opleiding te kunnen doorstaan? Was die niet beter af geweest met een paar duizend uur extra college over geschiedenis?
  3. Als je je moet uitdrukken in een tweede taal scheelt dat 10 tot 20 IQ-punten, zeggen psychologen. Nederlandse docenten die in het Engels doceren praten dommer dan als ze die vakken in het Nederlands geven. Nederlandse doctores die in het Engels solliciteren aan een Nederlandstalige universiteit klinken minder intelligent dan hun Britse, Amerikaanse of Australische concurrenten.
  4. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat Engelstalig onderwijs minder rendeert bij kennisoverdracht voor Nederlandse studenten. De taalkundige Cor van Bree haalt een studie uit Delft aan waaruit bleek dat het aantal gezakte studenten voor een welbepaald examen van 16% naar 29% steeg en het aantal uitstekende resultaten van 25% naar 13% daalde. En: “Het lag niet aan het Engels dat de docenten spraken, want dat was goed.”
  5. Uit onderzoek van Klaassen (2001) blijkt dat studenten oppervlakkiger leren als ze onderwijs krijgen in het Engels.

De oplossing is natuurlijk niet het bannen van het Engels in het universitaire onderwijs. Dat gebeurt nu ook niet, in Vlaanderen noch in Nederland, en ik denk niet dat je een serieuze wetenschapper kunt vinden die daarvoor pleit. Net zomin als Van Oostendorp alleen nog Engels wil. Die wil meer nuance en meer wetenschappelijke argumenten in het debat. Dat kan best. De bezorgdheid over de verengelsing van de universiteit is niet alleen ingegeven door een soort kortzichtige angst tegen vernieuwing, of een romantisch nationalisme, maar krijgt wel degelijk ondersteuning uit de wetenschap.