Tot eerlijkheid genezen

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (157)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Woestijn

Geen enkel raam dat werkt. De tocht der buitendeur
tot in de laatste hoek der schilferige gangen.
En zwijg van de wc’s. – Een nameloze geur
blijft veertig weken aan de klamme muren hangen.

Lokalen, vaalgeworden platen: vochtvlek, scheur.
Flarden gordijnen schuiven langs verroeste stangen.
Orpheus – met inktmop-ogen – slaakt zijn laatste zangen.
De Gratiën, kromgetrokken, oefenen horreur.

Zet u niet op die stoel; ge valt, als Eli, dood:
tussen de zitting en de leuning geen synthese –
Steun op de tafel niet: hij heeft een manke poot.

Wat op de banken staat, moet ge vooral niet lezen.
– Trek recht uw rug en arbeid voor uw dagelijks brood.
Gij kunt, aan dèze tucht, tot eerlijkheid genezen.

(Ida Gerhardt, Sonnetten van een leraar)

Waarom zijn dichters, zijn mensen, zo geïnteresseerd aan de gelijkschakeling van het hoge en het lage?Door het zo duidelijk te doen als Ida Gerhardt in dit gedicht – de nameloze geur van het toilet als een verwijzing naar de woestijn, de Orpheus met de inktmop-ogen – houd je in de eerste plaats natuurlijk eigenlijk de scheiding in stand. Het is vrij nadrukkelijk iets bijzonders dat hier twee dingen bij elkaar worden gebracht die eigenlijk niet vermengd mogen worden.

Er wordt vermoedelijk ook altijd een humoristisch effect bereikt. Het hoge en het lage, dat is altijd grappig, ook weer om redenen die ik eigenlijk niet goed begrijp. Ja, het is onverwacht, ja, het is een beetje verboden om de bijbel en de wc samen te noemen, maar waarom is dat dan precies grappig?

Veertig jaar

In dit geval wordt de onmogelijke leegte die er gaapt tussen het hoge en het lage natuurlijk ook nog eens gethematiseerd. De onsterfelijke dichteres, de grote geest, wordt vernederd door de tocht en het vocht, en doordat alles kapot moet. Alle zintuigen worden negatief aangesproken: de geur, het zicht, het gehoor (de zangen van Orpheus), de tastzin (de tafel waarop niet geleund wordt), en met wat fantasie de smaak (het dagelijks brood).

Het gedicht heet woestijn en de meeste lezers zullen bij de veertig weken even denken aan de veertig jaar die het Joodse volk in de woestijn heeft doorgebracht – bijna net zo’n marteling als het leraarsleven voor een dichteres. Want het ergste nog: er valt kennelijk nergens iets te lezen, behalve op de banken, maar dat kon je kennelijk in 1951 (toen Sonnetten van een leraar verscheen) als gevoelige ziel ook al liever niet gaan bestuderen. Hoewel de taalhistoricus juist eigenlijk heel graag had willen weten wat er daar dan zoal gekrast stond – dat is voor altijd verdwenen in de mist van de tijd.