Ilja Leonard Pfeijffer als Gerrit Komrij. Antwoord aan Marc van Oostendorp

Door Johan Sonnenschein

In zijn blogpost ‘Ilja Leonard Pfeijffer als Gerrit Komrij’ van 10 januari reageert Marc van Oostendorp vrij uitgebreid op een essayistische recensie van mij op deReactor. Altijd sympathiek, als iemand de moeite neemt om in te gaan op je betoog; in dit geval te meer, omdat mijn recensie in de kern polemisch is – dat heeft Van Oostendorp goed aangevoeld. In het stuk probeer ik de in mijn ogen neerwaartse ontwikkeling van mijn generatiegenoot Bernard Wesseling te begrijpen door hem te verbinden aan een grotere beweging in de huidige Nederlandse poëzie. Kort gezegd zie ik de Wesseling kiezen voor een dichterschap in de lijn van Menno Wigman en F. Starik, wier zwartgallige poëtica mij vervolgens naar Gerrit Komrij leidt. Dat Komrij’s dood een datum in de recente Nederlandse literatuur is, laat zich aanwijzen in de laatste roman van Wesseling (die ik ook bespreek) en eveneens in een geweldig gedicht van Erik Bindervoet (waaruit ik aan het eind van mijn stuk citeer). Ruwweg stel ik dat Komrij’s dood een leemte in het hart van de Nederlandse poëzie opende, waarvan enkele dichters – steevast mannelijk, pessimist en vormvast – vinden dat ze er mooi in zouden passen, maar die onlangs met opvallend gemak aan de kant zijn geveegd door I.L. Pfeijffer, alias Ilja de Verschrikkelijke, alias Komrij II.

Helaas vs. Hoera

Waar ik als poëzielezer bij deze ontwikkeling verzucht: ‘helaas!’  – net als Bindervoet laat ik leemtes liever open – daar roept Van Oostendorp enthousiast: ‘hoera!’ En dat niet één, maar vijftig maal. Ter viering van de aanstaande vijftiger pakt Van Oostendorp al maanden uit met evenzovele portretten van ‘de taal van Ilja Leonard Pfeijffer’. Een groot cadeau, maar Van Oostendorp houdt er dan ook sinds zijn studententijd een ‘bovengemiddelde belangstelling’ voor zijn generatie- en exbuurtgenoot op na. Wie iemands road to fame van nabij meemaakt, voelt zich immers ook zélf een beetje deel van het succes. En wie heeft de afgelopen decennia zo gestaag carrière gemaakt in de Nederlandse letteren als Ilja Leonard Pfeijffer? Na voor La Superba (2013) de Libris Literatuur Prijs te hebben ontvangen, kreeg hij voor zijn dichtbundel Idyllen (2015) de Awater-, Jan Campert-  én VSB-poëzieprijs toegekend. Solo bivakkeert hij nu op de Laaglandse zangheuveltop.

Vijftigwerf hoera! – want Van Oostendorp was er van meet af aan bij. Toen hij zelf Abraham in het zicht kreeg, greep hij zijn blog aan om zich te scharen naast de illustere zanger, en hem nu eens academische lof toe te wuiven. Ere wie eert wie ere toekomt. Vind ik dit voor een professor nog billijk (kritische distantie is cruciaal maar nooit absoluut), lelijk wordt het als Van Oostendorp het in zijn één na laatste hoeraatje nodig acht zijn ophemeling kracht bij te zetten met een paar trappen naar beneden. Een zeldzaam tegengeluid in de jarenlange prijzenregen stoorde hem klaarblijkelijk dermate dat hij driekwart van zijn beschouwing besteedde aan mijn stuk. En dat terwijl het woord ‘Pfeijffer’ er welgeteld twee keer in voorkomt (van de 3500).

Wie niet snapt

Van Oostendorps blogpost bevat zo veel wilde uithalen, dat ik niet meteen weet wat te antwoorden. Zijn glibberige redeneertrant maakt zijn betoog zwiepend, maar als ik het op een rijtje probeer te zetten, verwijt hij mij achtereenvolgens: onduidelijk te zijn geweest (ik generaliseer en geef geen bronvermeldingen); met macht bezig te zijn (en met mij deReactor als geheel); tegen de foute soort kunst uit te varen (daarin ben ik ‘Baudetesk’); cynisch te zijn terwijl ik tégen cynisme ben (net als deReactor als geheel); er allerlei tradities bij te halen (die onzin zijn); niet te snappen waar het mij eigenlijk om gaat (te weten Gerrit Komrij); alleen maar een paar recensies te schrijven (terwijl Komrij veel meer voor de poëzie deed); Komrij noch Pfeijffer te begrijpen; en ten slotte niet in te zien dat het sowieso onzin is om over literaire macht na te denken, omdat de literatuur helemaal geen macht meer heeft.

Ik snap kortom zeer veel niet. Nu geef ik dat toe, maar laat het er niet altijd bij zitten. Door (o.a. poëzie) te lezen probeer ik meer te weten te komen, en daarover schrijf ik – soms op deReactor. Als ik niet helder genoeg schrijf – en dat lijkt zo te zijn aangezien Van Oostendorp mijn betoog niet kan volgen – dan verklaar ik mij graag nader. Omdat het op vragen fijner antwoorden is dan op verwijten, ga ik hier kort in op wat hij in zijn stuk formuleert in de vorm van een vraag. Ik zie er vier:

  1. Hoe verhoudt de gekantheid tegen het ‘leren’ die ik waarneem in de traditie van Kloos en Komrij zich met het gegeven dat beiden verguld een eredoctoraat in ontvangst hebben genomen?
  2. Waarom hadden beiden zoveel waardering voor Gorter, die volgens mij aan de basis van de andere traditie in de Nederlandse poëzie staat?
  3. Hoe past de zeergeleerde dr. Pfeijffer in de lijn Kloos-Komrij, als ik stel dat die lijn zo tegen ‘geleerdheid’ is gekant?
  4. Hoe verhoudt Pfeijffer zich tot Komrij?

Aangezien 1 & 3 ongeveer dezelfde vraag betreffen, beantwoord ik ze samen. Ik begin bij 4, omdat ik daar al een antwoord op gaf – en om te kunnen eindigen bij Gorter.

Pfeijffers verhouding tot Komrij

Met het virtuoze gemak hem eigen heeft Pfeijffer het vacuüm na de dood van Komrij kunnen vullen, en zo zijn concurrentie opzijgeschoven. Zijn bloemlezing van de Nederlandse poëzie in de lange 20e eeuw is evident de Dikke Pfeijffer, ofwel de Dikke Komrij II. Het format is onveranderd: alomvattend, canoniserend, normbevestigend, anti-experimenteel. Al legt Pfeijffer andere accenten en lijkt hij oog te hebben voor vernieuwing, uit zijn inleiding en keuze komt hij naar voren als primair een ornamentele dichter-bloemlezer, een krullendraaier, een ronker. Friezen en Belgen worden op z’n Komrij’s de pan uit geveegd.

Anders dan Komrij’s antipoden, de bloemlezer der vijftigers Paul Rodenko en de keizer der vijftigers Lucebert, snijdt Pfeijffer de bestaande poëtische taal niet daadwerkelijk open op zoek naar het nieuwe – of dat nu verlossing, mystiek, vrijheid, verandering of revolutie is. Pfeijffer speelt met clichés in plaats van ze te vernietigen en er nieuwe taal voor in de plaats te brengen. Daarin is hij een soort Komrij,  of tweedehands Komrij. Pfeijffer pretendeert de Nederlandse poëzie in haar volledige breedte te kunnen waarderen, waar Komrij expliciet koos voor het oude. In 1979 bloemleesde Komrij nog tégen de keer, in 2016 wás Pfeijffer de keer.

Nadat Pfeijffer zich in de vrolijke jaren 1990 presenteerde als de nieuwe Lucebert, wisselde hij in de jaren 2000 van masker. Van Oostendorp mag mij uitleggen hoe iemand serieus de sprong van Lucebert naar Komrij kan maken: er gaapt een wereld van verschil tussen beiden, poëticaal en (dus) politiek. Treffend in dit opzicht vind ik dat Pfeijffer in Idyllen zijn kaarten plots zet op M. Nijhoff. Nijhoff was in het interbellum de man van het midden, tussen experiment en traditie. Experimenteel bloemlezer Rodenko hield hem buiten Nieuwe griffels, schone leien omdat hij hem rekende tot de  ‘conservatief-assimilerende krachten in de poëzie’. Maar waar Nijhoff met ‘Awater’ nog iets maakte wat ongezien was in de Nederlandse taal, werpt Pfeijffer zich met Idyllen op als een 21e-eeuws soort J.F. Helmers. Toen Idyllen verscheen, las ik het gapend en vergat het meteen – om mijn energie liever te richten op de werkelijk nieuwe poëzie van dat moment.

Onder (ere)doctoren

In mijn essay-recensie van Wesseling schets ik twee poëzietradities, ruwweg de conservatieve (Kloos-Bloem-Komrij-Wigman) versus de progressieve (Gorter-Lucebert-Mettes). Verbinding tussen poëtica en politiek is voor de laatste evident, terwijl ze door de eerste wordt ontkend. ‘Leren’ is voor de laatste de basale houding: altijd vooruit, meer te weten komen, nieuwe ervaringen, nieuwe taal, nieuwe zinnen. De Kloos-Komrij-lijn houdt het liever bij wat men al weet: dat het leven voorbij gaat, dat vernieuwing een illusie is, dat er geen vluchtlijn is uit een voorgoed mislukt bestaan (Bloem).

Komrij speelde vrolijk met die pessimistische poëtica – hij liet zich niet graag vangen. Pfeijffer lijkt nu overgewaaid van Lucebert naar Komrij – al weet je het bij hem ook nooit zeker. De reacties onder Van Oostendorps blogpost lopen veelzeggend genoeg vast op de vraag of Pfeijffers politieke standpunten nou ironisch zijn of niet. Precies die ongrijpbaarheid vinden sommigen aantrekkelijk, anderen saai, of het tegendeel van integer.

Zelf volg ik hierin dichters-critici als Hans Groenewegen en Frank Keizer, die Pfeijffer respectievelijk een poseur en een expat-schrijver noemden. Dat poseren is vooral pijnlijk omdat Pfeijffer zo gepriviligeerd is: als hoogopgeleide witte Nederlandse man wendt hij zijn intelligentie aan om verwarring te zaaien en hogerop te komen door naar beneden te trappen. Identiteit is bij hem een gezelschapsspel. Hij leunt daarbij comfortabel aan bij de geest des tijds: in de jaren negentig onbekommerd vrolijk postmodernist, in de jaren 2000 bekeerd tot het engagement – ofwel de postpostmodernistische wending tot de werkelijkheid (het kost me hierbij moeite niet voortdurend aanhalingstekens te gebruiken).

Stel, we nemen zijn Idyllen serieus, dan spreekt hij in nr. 7 een mea culpa uit over zijn tijd als ‘ontwortelaartje’. Ironisch of niet, het is een loepzuivere wending tot het neoconservatisme in de lijn van Roger Scruton. In Nederland schiet diens hypothese over linkse ‘oikofobie’ sinds Bolkenstein steeds dieper wortel. Baudetesk, iemand? De poëzie volgt hier de politiek, en de academie hobbelt er achteraan. Terwijl deze volgorde toch andersom zou moeten zijn. ‘Lyriek is de moeder der politiek’, schreef Lucebert al in zijn gedicht ‘De school der poëzie’. Die titel was een hommage aan Herman Gorter. In de Mei van onze tijd, het grote gedicht N30, transformeerde Jeroen Mettes Luceberts stelling geestig tot een cruciale vraag: ‘Is lyriek (a) de moeder der politiek, (b) vice versa of (c) geen van beide?’ Het antwoord op deze mutiple choice laat zien in welke traditie je staat.

Inderdaad vind ik dat professoren zich niet met logge oplichters als Ilja Leonard Pfeijffer zouden moeten afficheren. Allicht had ik dat in 2000 ook gevonden in het geval van de inmiddels mild geworden fulminator dr. Komrij. Wie weet, had ik hetzelfde gezegd in 1935 van de toen al lang seniele dr. Kloos. Bij het zien van hun glunderende gezicht na ontvangst van het eredoctoraat hoor ik toch vooral een stemmetje zeggen: ‘het is me gelúkt’, ‘ze trappen erín’, ‘ik hoor erbíj.’

Lichtdichters

Tot slot kort iets over de verhouding tussen de dichters Kloos en Komrij – de conservatieve traditie in de Nederlandse poëzie – en de progressieve: Herman Gorter. De rol van Gorter in de Nederlandse literatuurgeschiedenis is zo leerrijk en inzichtgevend, dat ik er een heel boek over aan het schrijven ben. Af en toe publiceer ik op deReactor een recensie van een boek dat met Gorter te maken heeft. Het werk van Bernard Wesseling was zo’n geval. De dichtbundel Splendor van H.C. ten Berge is een nieuw geval. In mijn recensie daarvan ga ik dieper in op de traditie van Gorter en Lucebert. Nu te lezen op die sympathieke, genereuze en leerzame website: deReactor.org.