Gedicht: vsb-prijs-1918 – Jan Prins

Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het terug 1918 was? Deze week aandacht voor vijf in 1917 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een publieksverkiezing van de beste bundel. Vandaag als eerste Getijden van  Jan Prins, ingeleid door dichter Hester Knibbe, die ook zes gedichten uit deze bundel koos.

*

Licht dat op stilte drijft

Getijden van Jan Prins is een kloeke bundel waarin sonnetten, vrijere en epische gedichten elkaar niet in de weg zitten, maar veeleer versterken en aanvullen.

De bundel is onderverdeeld in acht afdelingen, sommige bestaand uit één lang gedicht. De toon is precies en beschouwend. Bij Prins geen politiek correcte poëzie, geen hoogdravende pathetiek zoals bij sommige van zijn tijdgenoten. Hij kiest voor verstilling, natuur- en liefdeslyriek. Hij ‘schildert’ zijn wereld met lichte, dromerige penseelstreken.

Al in ‘De stoet’, het eerste gedicht van de bundel, weet hij een bijna feeërieke sfeer op te roepen. Hij beschrijft daarin een stoet verliefde vrouwen die aan het oog van de dichter voorbijtrekt. Is het een wens-, een dagdroom? In elk geval een goede aanzet tot de rest van de afdeling waarin de geliefde een hoofdrol krijgt toebedeeld in een arcadisch landschap. Die sprookjesachtige sfeer bergt het gevaar in zich te zoete, softe poëzie op te leveren, maar die valkuil weet Prins voortreffelijk te omzeilen. Neem bijvoorbeeld het lange gedicht ‘De Zeiltocht’. Het zet direct stevig in:

Wij kwamen, met den vloed, de Botlek uitgevaren, de volte in van de Maas. De late middagzon, die op de zeilen scheen en schitterde in uw haren, bestreek rivier en land (…).

Een begin dat uitnodigt tot verder lezen. Enkele verrukkelijke zomerdagen op het water worden beschreven in een lange zang die niet onderdoet voor de ‘Mei’ van Gorter. ‘De Zeiltocht’ waaiert nergens te veel uit, er worden geen sprookjesfiguren bijgesleept, Prins heeft genoeg aan wat de werkelijkheid biedt: ‘(…) Wij hoorden bij een wetering/ twee riemen in het water plompen/ en ’t klepperen van kinderklompen,/ (…). Wij zagen, tot de knie bijkans,/ de maaiers in het gras gezonken,/ en hoe de scherpe zeisen blonken,/ (…)’. Hij weet, naast compactheid, een goede balans tussen romantisch gemijmer en realiteitszin te bewaren. Delen met lange regels worden afgewisseld met kortere (terugblik op de voorbije dagen), wat aan het epische karakter van het gedicht een speels accent geeft.

Jawel, deze dichter ‘schildert’ zijn poëzie. De gedichten in deze bundel zijn impressionistisch, verwant aan beeldende kunstenaars als Jacob Maris. Prins dicht met zijn hoofd in de wolken en met beide voeten stevig op de grond.

Met zijn bundel Getijden verdient Jan Prins een solide plaats tussen de dichters van voor de Tweede Wereldoorlog.

Hester Knibbe

*

De stoet

Toen de avond aanbrak, en toen de gezonken zon
over den gelen grond en over de gebouwen
den breeden sleep deed gaan en slieren van het licht,
ontmoette mij de stoet van die verliefde vrouwen,
die — dronken van gebaar en donker van gezicht —
haar luiden tocht aanvaardden, nu de nacht begon.

Oogen, die vonkelden van hartstocht als van haat,
bloedroode lippen en weekschaduwige leden,
en, van den ranken boog der schouders afgegleden,
in wilde wappering het fijndoorplooid gewaad, —

wijnranken in het haar en trossen roode rozen
gebonden op de Borst, — zoo trokken zij voorbij
en trapten in het licht en, dansend, tartten mij
en zochten mijn gelaat. — Maar ik heb u gekozen.