Gedicht: vsb-prijs 1917 – Charivarius

Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het terug 1918 was? Deze week aandacht voor vijf in 1917 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een publieksverkiezing van de beste bundel. Vandaag als tweede de vierde bundel Ruize-rijmen van Charivarius, ingeleid door Jacques Klöters, die ook twee gedichten uit deze bundel koos.

*

Charivarius

Er zijn natuurlijk in 1917 veel betere bundels uitgekomen dan de vierde bundel Ruize-rijmen van Charivarius. Maar het zal wel de best verkochte bundel dat jaar zijn geweest want Charivarius (G. Nolst Trenité 1870-1946) was zeer populair in zijn tijd. Vergelijk hem met Paulien Cornelisse in onze dagen: iemand met een scherp gevoel voor taalverandering en taalmisstanden die daar vermakelijk over schrijft, in zijn geval op rijm en die daarbij ook een scherp oog heeft voor politieke en maatschappelijke gebeurtenissen van zijn tijd.

We moeten er van Charivarius allemaal niet teveel achter zoeken, zo blijkt uit zijn inleiding. Poëzie schrijft hij zeker niet. Die geeft meer gevoel dan gedachte, vindt hij, terwijl hij juist meer gedachte dan gevoel geeft. Als hij een ballade schrijft dan is die bedoeld als grapje. Zijn loflied op de vriendschap is niet bedoeld als parodie op het toenmalige volkslied: “’t is bij ongeluk zoo uitgevallen. In elk geval zal men mij moeten toegeven, dat mijn vers niet veel erger is dan Tollens’ Onbeklemdeborst-Rijm, dat alle Nederlanders bij feesten geestdriftig meezingen, en waarvan sommigen het eerste couplet geheel kennen.”

Charivarius veronderstelt in zijn inleiding dat wie diepe gedachten zoekt in zijn bundel teleurgesteld zal worden. “Ik berijmde de eenvoudige gedachten van ieder, die bewust leeft, en niet slaapwandelt. Van sportoverdrijving tot bidden om de overwinning – ’t ligt alles dichtbij de oppervlakte.” Hij wilde zich niet uitgeven voor wijsgeer, een richtsnoer geeft hij niet, “Ik ben meer plattegrond dan gids. Wil men mij een thermometer noemen, mij wel – een kachel ben ik zeker niet. Een Rijmer ben ik, en als Rijmer zal ik sterven.”

Jacques Klöters

Rust-rijm

Charivarius mag zich niet vermoeien. Toen hij dezer dagen ter verpoozing Gorter’s ‘Mei’, weer eens doorbladerde, viel zijn oog op de volgende regels:

…..Van ijs in zee, een oud gebaard man, die Stond op, bokaal ter hand, en uit verschie…’

Het hier toegepaste systeem vereenvoudigt den zwaren arbeid van het rijmen aanmerkelijk; men heeft niet angstvallig te zoeken naar een woord dat in zijn geheel rijmt; licht vindt men er een waarvan een enkele letter past; de overige laat men weg, en het rijm is klaar. Dit is het rijm-systeem voor rustbehoevenden. Naar deze methode vervaardigd, vloeide hem de volgende Ballade als ’t ware van zelf uit de vulpen:

De ridder van Granada
(Vrij naar Schiller)

Er leefd’ in overouden tijd
In ’t land van Granada,
Zijn vorst in trouwen dienst gewijd,
Een wakkre ridderkna.

De koning had den jonker lief,
En jacht, en sport, en spel
Werd bloot voor ’s gunstelings gerief
Ten Hove ingestel.

Zoo werd èn Hof èn landvolk vaak,
Door bode en klokgelui,
Genood tot ’t griezelig kijkvermaak
Rondom den leeuwenkui.

Eens op een dag zijn maagd en borst,
En ridders, rij aan rij,
Verzameld bij den ouden vorst,
In ’t lustpark van ’t palei;

Rondom den diepen leeuwenkuil,
Die dreigend gaapt benee:
Hier ’t jolig juichen – daar ’t gehuil
Van tijger en van lee.

Men oogt ’t gestoei van ’t woest gebroed
Met grage blikken na;
En d’ oude vorst schertst welgemoed:
‘’t Is beter hier, dan da!’

De jonge ridder zit naast háár –
De jonkvrouw, trotsch van zin,
Maar ’t schoonste van de maagdenschaar,
En fel van hem bemin.

Zij schenkt hem eerst niet veel gehoor;
Hij schijnt wat schuw, wat bleu;
Dan vat hij moed, en als-maar-door,
Ruischt zijn verliefd gekeu.

Daar lispt de jonkvrouw aan zijn zij:
‘Mint gij mij waarlijk zoo?
Welnu, mijn vriend, bewijs het mij!’
Dan roept z’ op luiden too:

‘Wie uwer mint mij sterk genoeg,
Dat hij uit louter min
Deez’ zijden handschoen, dien ik droeg,
Mij weerbrengt van daargin?’

Mèt werpt zij fluks den handschoen af;
Men mompelt: ‘Wee!’ – ‘Wat nu?’ –
– ‘Wie waagt zich in dit levend graf?…’
Het denkbeeld is afschu.

Zij ziet haar feilen minnaar aan
Met hoonend killen lach:
Kies – d’ arme heeft den blik verstaan –
Mijn liefd’ – of mijn verach!

Daar ziet de schare, stom van schrik,
Vervuld van ’t naadrend wee,
Hoe hij met somber-strakken blik
Zich naar den kuil begee.

Snel daalt hij in de diepte neer……
Loopt op de beesten toe……
En – brengt den handschoen veilig weer,
Met gruwbre heldenmoe.

Nu groet den Ridder Onversaagd
Een donderend hoera!
Maar hij – hij werpt der snoode maagd
Den handschoen…… in ’t gela!

‘Aanvaard,’ zoo spreekt hij, ‘slechte vrouw,
Mijn declaratie zóó!
Ik was verliefd op je, maar nou –
Wat mij betreft – val doo!’