Gedicht: Hendrik de Vries – Ramp

Ramp

Door venster-sterren overhemeld, wemelt
Het straatweb, met verkeer dat raast.
En afgrond nevens afgrond kaatst
Het vergezicht
Vol spoorberg-ruggen.—-
Voor een botsing vlucht
Het volk. Twee vlammenplassen wassen
Uit wagenwrakken
In gluip-gloor, hoog naar ’t somber zwerk gericht.
Het aarzelt vaal
Met beurtelings verzwakken,
Terwijl ’t geslicht
Plaveisel zucht.
Een straal
Geslingerd van de grasterrassen
Vlaagt neer op ’t staal.
De spanten krakken,
De raderborden slaan ineen
En walming zwalpt van ’t steen.

Hendrik de Vries (1896-1989)
uit: De nacht (1920)

Het onderwerp is ‘modern’ genoeg: een botsing in de grote stad. Hetzelfde geldt voor de versbouw, die is aangepast aan het onderwerp. De vier liggende strepen brengen het gedicht zelfs in de buurt van de typografische experimenten van iemand als Paul van Ostaijen. Maar hoe archaïsch is daarentegen het taalgebruik! Woorden als ‘zwerk’ en ‘zwalpen’ moeten ook in 1920 al tot een verouderd jargon hebben behoord. Het resultaat is iets als een expressionistisch gedicht geschreven door Bilderdijk.
– Ton Anbeek