Gedicht: Caesar gezelle – Onvruchtbaar

Onvruchtbaar

Hoe gretig grijpt mijn hand soms naar de dichterveder
en legt ze, onmachtig, op het blanke blad weêr neder:
de dichterbronne sluit heur boesem weiger toe
en eer ze aan ’t wellen gaat, is ’t wellen zij reeds moê
! Mijn hert wou gudsen! met van geestdrift bevend’ handen,
voel, moegerust, de pen ik in mijn vingers branden
en beelden in ’t gelid daar barensveerdig* staan:
de zware strijd met ’t woord, ’t weerbarstig woord, vangt aan.
Wat kwel ik mijn gemoed, waarom mijn veder plagen,
die wanen dorst dat zij weer rijpe vrucht zou dragen?
De bronnenhoofden staan mij gierig toegesluisd,
mijn geest en hert en ziel zijn God-weet-waar verhuisd.

Caesar Gezelle (1875-1939)
uit: Herbloei (1923)

* barensveerdig = klaar om geboren te worden