waffel

Door Michiel de Vaan

 

waffel zn. ‘bek, mond; oorvijg’

[revisie van de versie geplaatst op 21 december 2017]

Nnl. wafel ‘mond, bek’ (1615), waffel (1670) ‘mond, snavel, bek’, waffelkaak ‘bek’ (1690); waffel ‘klap, oorvijg’ (1708), waefel (1840).

De twee oudste attestaties van wafel ‘mond’ in de vroege zeventiende eeuw zijn: wy sellen ierst wat speulen mette wafel, we beginne ierst te eten ‘we zullen eerst wat met onze mond spelen, we beginnen eerst te eten’ (Coster, 1615), stracx gingh hem daar de wafel wt de kerf ‘meteen ging hij daar met zijn mond over de schreef’ (Bredero, Moortje, 1617). Een interessante samenstelling waffelkaak komt voor in een vrije vertaling uit 1670 door Adriaen de Leeuw van Calderón de la Barca’s stuk El Mayor Encanto: en ik laat nou iens louter bóllen myn waffelkaak en zeg: ‘en ik laat mijn mond nou eens louter babbelen’ (in het Spaans: pero no confesaré que Circe no es…  ‘maar ik moet bekennen dat Circe wél is …’).

De genoemde oudste vormen tonen aan dat waffel als variant van een vorm wafel of wavel ontstaan is, zoals we ook taffel vinden naast tafel en gaffel naast gavel. De in het WNT geopperde, alternatieve verklaring van waffel uit wavel uit wauwel met de vooral Zuidbrabantse overgang van w tot v is onwaarschijnlijk. Bovendien is wauwel ‘bek’ pas vanaf de 19e eeuw bekend (i.t.t. het ww. wauwelen vanaf 1612).

 

De vraag is of wafel ‘mond’ hetzelfde woord is als wafel ‘geruiten koek’. In tegenstelling tot wat ik in december 2017 opperde denk ik nu niet meer dat er een directe lijn loopt van wafel ‘koek’ naar waffel ‘mond’; de daar genoemde theorie heeft teveel haken en ogen. Wel zijn wafel ‘koek’ en ‘mond’ uiteindelijk van dezelfde Germaanse wortel afgeleid.

 

Olivier van Renswoude wijst me op een woordfamilie waar Nl. wafel > waffel ‘mond’ beter bij past, namelijk die van Proto-Germaans *wab- ‘heen en weer bewegen, wiebelen, wankelen’. In oorsprong is dat afgeleid (met de voor frequentatieve ww. kenmerkende stamklinker *a) van het ww. *weban weven’. Afstammelingen van het werkwoord *wabōjan zijn o.a. Oud-Engels wafian ‘zich verbazen; zwaaien’, Engels wave ‘zwaaien, wankelen, golven’ en Middelhoogduits waben ‘heen en weer bewegen’. Daarvan zijn in het Germaans nieuwe frequentatieve ww. afgeleid met r-suffix (Oudnoors vafra ‘heen en weer bewegen’, MoE to waver, Nhd. wabern ‘wankelen’, nl. wabberen ‘trillen’, Mnl. wapperen) en met l-suffix (bijv. Oudnoors wafla ‘wankelen’, OE wæflian ‘dom kletsen’, MoE wobble ‘wankelen’, Nnl. waffelen ‘laveren’ [1702]), Mhd. wabelen, Nhd. wabbeln ‘zwalken, wiebelen’, waffeln ‘mompelen, kletsen, smakken’, wäffeln ‘kletsen’).

 

Nederlands wafel > waffel ‘mond; oorvijg’ is, op de interne medeklinker na, identiek aan Nieuwhoogduits Waffel, Zwitsers Waffle v. ‘grote mond met afhangende lippen; klap op de mond, oorvijg’ (horend bij het ww. waffeln) en Westfaals Wabbel ‘uitpuilend vlees of vet’ (bij het ww. wabbeln). Dit zijn ofwel zn. die met hun l-suffix direct van de stam *wabwerden afgeleid (bijv. *wab-lō- > Nl. wafel) ofwel zn. die bij bestaande l-werkwoorden gemaakt werden (bijv. hypothetische Mnl. *wafelen wafel). Gezien het feit dat het l-werkwoord wijder verspreid is (ook in het Scandinavisch en Engels) dan het l-substantief lijkt me de tweede variant waarschijnlijker, maar we hebben geen zekerheid. De betekenis ‘mond’ kan ofwel van de ‘loshangende’ lippen verklaard worden of uit de ‘op en neer gaande’ beweging van de kaken; de betekenis ‘oorvijg’ hoort bij ‘zwaaien, slaan’.