Ilja Leonard Pfeijffer als winnaar van de Tzumprijs

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (45)

Door Marc van Oostendorp

De Tzum-prijs is de beste literaire prijs van Nederland. Niet alleen voor lezers: het is de enige prijs waarvan je altijd meteen de waarde van de inzending kunt overzien omdat geen oeuvre of boek wordt beloond, maar slechts een boek, maar ook voor schrijvers, omdat het anders dan al die oeuvre- en boekenprijzen de aandacht niet richt op de eeuwige thematiek, maar op de stijl zelf.

Ilja Leonard Pfeijffer is in de afgelopen 15 jaar de enige schrijver geweest die de prijs tweemaal won. In 2005 gebeurde dat met een zin uit het Grote Baggerboek:

Trekt ie daaropvervolgends z’n broek naar omlaag, gaat met die harige aars van hem boven de chili hangen en zet ie me daar toch z’n dikke darm open dat Noach kon fluiten naar berg Ararat.

In 2014 mocht hij de prijs opnieuw in ontvangst nemen met een zin uit La Superba:

Het was het witte uur na het middagmaal, de blanke pagina waarop hooguit iets met potlood wordt gekriebeld in geheimschrift, iets om onmiddellijk weer uit te gummen zodra de rolluiken omhoog worden getrokken en het leven opnieuw zwart op wit een aanvang neemt met bonnetjes, bestellingen en bezwaarschriften.

Grappig is dat deze twee zinnen stilistisch sterk van elkaar verschillen, terwijl ze thematisch overeenkomst vertonen. Allebei verwijzen ze naar voedsel (chili, het middagmaal), allebei gaan ze over een leegte die gevuld wordt (de chilipot, het witte vel papier), waarbij dat vullen van die leegte als iets negatiefs wordt afgeschilderd.

De jury van de Tzum-prijs heeft altijd een voorkeur voor betrekkelijk lange zinnen, maar zo’n zin kun je op verschillende manieren maken. In 2005 zat de zin tamelijk eenvoudig in elkaar: hij bestaat uit drie aan elkaar geschakelde hoofdzinnen met bijna dezelfde structuur:

(i) Trekt ie daaropvervolgends z’n broek naar omlaag,
(ii) gaat met die harige aars van hem boven de chili hangen
en
(iii) zet ie me daar toch z’n dikke darm open dat Noach kon fluiten naar berg Ararat.

Ieder van de zinnen begint met het werkwoord; iets wat we in het Nederlands alleen doen bij vragen (‘trekt-ie z’n broek naar omlaag?’) of in moppen en andere op volkse toon vertelde verhalen (‘lopen twee gekken op straat’). In de tweede zin ontbreekt bovendien het onderwerp, dat in de eerste en in de derde wel aanwezig is. De Taaladviesdienst van Onze Taal vindt dit weglaten ‘correct’  en zelfs soms te verkiezen omdat het ‘horten en stoten’ voorkomt. Dat doet dan de vraag rijzen waarom in de derde zin het onderwerp niet wordt weggelaten. Mijn idee is dat het horten en stoten hier juist gewenst wordt, omdat die de verbazing over het gebodene (uit de dikke darm) beter mee wordt uitgedrukt.

Maar daarmee hebben we het in de eerste zin wel gehad, qua syntactische aardigheden. Dan de zin uit 2014! Die zit veel ingenieuzer in elkaar, het is zelfs moeilijk te schamatiseren.

(i) Het was het witte uur na het middagmaal,
(ii) [het was] de blanke pagina
(iia) waarop hooguit iets met potlood wordt gekriebeld in geheimschrift,
(iib) iets om onmiddellijk weer uit te gummen
(iibi) zodra de rolluiken omhoog worden getrokken
en
(iibii) het leven opnieuw zwart op wit een aanvang neemt met bonnetjes, bestellingen en bezwaarschriften.

Hier wordt twee keer een zin aaneengeschakeld: twee hoofdzinnen (i) en (ii) en twee bijzinnen (iibi) en (iibii). (iia) en (iib) zien er op het oog ook parallel uit, maar in feite is iets in (iib) een herhaling van het onderwerp van (iia) waarin een nieuwe bijstelling wordt gegeven; dat deel van de zin is anders opgeschreven ‘waarop hooguit iets om onmiddellijk weer uit te gummen wordt gekriebeld in geheimschrift’: (iib) is daarom een inbedding bij (iia), zoals (iia) dat op zijn beurt is bij (ii), en (iibi) en (iibii) dat zijn bij (iib).

Er zitten meer mooie aspecten aan de structuur van deze zin. Hij vergelijkt tijd (‘het witte uur’) met iets ruimtelijks (‘de blanke pagina’) en schakelt zo een paar keer heen en weer tussen tijd en ruimte: (i) is tijd, (ii) is ruimte, net als (iia); (iib) is weer ruimte, net als (iibi). In (iibii) worden tot slot tijd (‘het leven’) en ruimte ‘bonnetjes, bestellingen en bezwaarschriften’ duidelijk aan elkaar verbonden, zoals ook het middagmaal terugkomt, in de vorm van een bonnetje.

De Tzum-prijs bestaat uit een euro per woord. Voor de zin uit 2005 volstond dat misschien ook wel, maar voor de zin uit 2014 zou ik een paar extra euro hebben gegeven voor de structuur.

In de decembermaand houdt Neerlandistiek een crowdfunding-actie. Lees je graag Neerlandistiek? Help ons een hartewens van onze hoofdredacteur te verwerkelijken.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

2 Responses to Ilja Leonard Pfeijffer als winnaar van de Tzumprijs

  1. Raymond Benders schreef:

    Met dank aan Nietzsche

  2. Timothy Colleman schreef:

    De ingebedde dat-zin op het eind is anders ook nog wel een syntactisch aardigheidje in zin 1. Een dat-zin van graadaanduidend gevolg maar dan met impliciete graadaanduiding, type “Je liegt dat je barst”? Of toch nog iets anders? Ik laat mijn tweedejaarsstudenten Nederlandse grammatica trouwens elk jaar een paar winnende Tzumzinnen ontleden, jolijt verzekerd.

Reacties zijn gesloten.