Gedicht: Hélène Swarth – Kerstboomen

Kerstboomen

Het plein, reinblank, in ban van sneeuw gevangen,
Is omgetooverd in een woud van dennen.
Wie zou ze in avondkameren herkennen,
Vol kaarsenlicht, met bonte pronk omhangen?

‘k Zie meisje en knaap al naar den kerstboom rennen,
Een blos van blijheid op de bloesemwangen,
Hem vroom begroeten met gewijde zangen,
Zich door zijn gaven laten mild verwennen.

Op ’t woelig plein, verbannen, staan de boomen
Van ’t eenzaam plechtig winterwoud te droomen.
Pijn doen hun wortels, wreed verscheurd – Zij wachten.

En morgen, leeg, met zwart verschroeide twijgen,
Wachten zij nog, in droef gelaten zwijgen.
Hun wederkeer naar woud en sterrennachten.

Hélène Swarth (1859-1941)
uit: Sorella. Nagelaten dichtbundel (1942)