Zij is ’t venster waar de zon in brandt

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (151)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

De Zangeres

De kleine gitten speld in haar coiffure,
Die zeer eenvoudig is en zeer correct,
Maakt dat haar witte hoofd sensatie wekt,
Veel meer dan kostbaar vonkende parures.

Haar spinragdunne shawl van zwarte kant
Schaduwt chineesche bloemen langs de muren
Als ze in de pauze wandelt om het gluren
t’ Ontgaan der heeren naar haar rechterhand.

Een simple ring, een gladde gouden band
Maakt haar onschendbaar en moederlijk machtig:
Ze is een vorstin verpoozend in haar tuin.

Hoor, de muziek begint gedempt maar krachtig.
’t Publiek vervaagt tot schaduw stil en bruin,
Maar zij is ’t venster waar de zon in brandt.

(Willem de Mérode, uit: Kaleidoscoop)

Een gedicht beginnen met een kleine zwarte speld in iemands haar en eindigen met de brandende zon: Willem de Mérode kon dat. De zangeres begint met een octaaf dat helemaal in zwartwit is: een zwarte speld, op een wit hoofd, een zwarte sjaal die schaduwen werpt op de waarschijnlijk witte muren.  Het sextet begint daarentegen met een gouden ring en eindigt met de waarschijnlijk even gouden zon. In het midden is zelfs de schaduw niet meer zwart-wit, maar (bruin)gekleurd.

Gegluur

Ook met de taal gebeurt iets in de loop van het gedicht. In het begin is de woordenschat nog aanstellerig en buitenlands, met die coiffure en parures en die shawl. Ook de syntaxis is op zijn minst complex: de twee kwatrijnen bevatten ieder precies één zin, terwijl die zinnen in de laatste zes regels veel korter worden, zoals de woorden ook veel eenvoudiger worden.

Het mooie van dit sonnet is dat terwijl de taal aldus simpeler wordt, het beeld van de vrouw verhevener wordt. Coiffure en parures zijn oppervlakkigheden, en weliswaar wordt ons meteen verteld dat de zangeres er te ‘eenvoudig en correct’ voor is, maar ze verkeert inmiddels toch maar duidelijk temidden van zulk haargerei en van heren die naar haar de hand gluren waar inderdaad een trouwring zit.

Het is precies die trouwring die de zangeres onschendbaar en superieur maakt, ongeveer zoals geëmancipeerde moslima’s de hoofddoek interpreteren. Ze laat zien dat je aan bepaalde typen menselijk verkeer niet meedoet, en dat maakt haar vrij en superieur. De dames met hun parures, de heren met hun gegluur, verworden allemaal tot een bruine schim als de zangeres begint te zingen en niets er meer toe doet.