Het Engels is geen lingua nullius

Door Marc van Oostendorp

Het onderzoeksgebied van de Britse taalkundige Robert Philipson is de rol van het Engels in de internationale wereld, en hij steekt daarbij zijn mening niet onder stoelen of banken. Hij is ertegen dat het Engels die rol vervult. Zware woorden schuwt hij daarbij niet; zo gebruikt hij regelmatig de term linguicism, die hij dan gelijk stelt aan racism, sexism en classism: de discriminatie van mensen vanwege hun moedertaal.

Ook in zijn nieuwste artikel, Myths and realities of ‘global’ English (€; gratis manuscript hier), neemt hij geen blad voor de mond. Hij zet de zaken op scherp en dat maakt zijn betoog interessant. Volgens Philipson is het niet alleen een ‘mythe’ dat het Engels een neutrale taal voor internationaal gebruik zou zijn, maar is die mythe het product van decennia, zo niet eeuwen van doelbewust beleid van de Britse en Amerikaanse overheden. Hij haalt bijvoorbeeld Churchill aan, die in 1946 in Amerika zei:

But I do not see why we should not try to spread our common language even more widely throughout the globe and, without seeking selfish advantage over any, possess ourselves of this invaluable amenity and birthright. (…) Such plans offer far better prizes than taking away other people’s provinces or lands or grinding them down in exploitation. The empires of the future are the empires of the mind.

Moord op talen

De verspreiding van het Engels is de Engelstalige landen duidelijk ten goede gekomen. Het idee dat die talen daarbij bezit van de hele wereld zijn, maakte die verspreiding alleen maar gemakkelijker.

Daar zit een kolonialistische gedachte achter, meent Philipson. Hij verwijst naar het feit dat de eerste settlers het land in Amerika benoemden tot terra nullius “niemandsland”. Degenen die er woonden, werden niet als mensen gezien. Nu wil men het Engels promoten als lingua nullius, zegt hij, met een soortgelijke kolonialistische gedachte. De unieke kijk op de wereld die zit ingesleten in het Engels, het netwerk van associaties die ieder Engels woord oproept wordt door de linguicist gepresenteerd als de ‘neutrale’ manier van kijken, ongeveer zoals racisten witte mensen als de ‘neutrale mensen’ zien.

Dit alles lijdt dan tot linguicide, de moord op talen, want de term ‘uitsterven van talen’ keurt Philipson ook af: dat suggereert teveel dat dit een spontaan proces zou zijn, terwijl je het moet zijn als een actief proces.

Koloniaaltje spelen

Die redenering lijkt me grotendeels onhoudbaar. Het probleem daarbij is vooral dat Phillipson talen teveel ziet als duidelijk afgebakende eenheden, waarvan een mens er precies één bezit. Zoals racisme niet zou werken als mensen vrijelijk meer dan een ras zouden kunnen afnemen, en iedereen dus af en toe wit zou kunnen zijn, zo is linguicisme een krachteloos begrip als je inziet dat mensen gemakkelijk meer dan één taal kunnen beheersen.

De discriminatie ontstaat pas als je moedertaalsprekers gaat voortrekken boven mensen die de taal als vreemde taal hebben geleerd. Vreemd genoeg doet Philipson daar precies aan, wanneer hij opmerkt dat Scandinaviërs (hij woont in Denemarken) niet zo goed Engels spreken. Maar als je het Engels echt beschouwt als lingua nullius, dan mag iedereen daar dus zijn eigen koloniaaltje in spelen. Het is in dat opzicht eerder alsof de Engelsen de Indianen uitgenodigd hadden om zich in Sussex te vestigen.

Pijlen

Op diezelfde manier gaat de term linguicide eraan voorbij dat talen niet leven en dus niet vermoord kunnen worden. Als een taal ‘sterft’ betekent dat doorgaans dat ouders haar niet meer aan de volgende generatie doorgeven, bijvoorbeeld omdat ze denken dat hun kinderen meer kansen hebben als ze een andere taal spreken. Soms is dat Engels. Die ouders zien dat dan dus verkeerd: ze hoeven hun kinderen de eigen taal niet te onthouden om ze Engels aan te bieden. Alleen kun je dat misverstand het Engels niet aanrekenen. Het is eerder het ideaal van eentaligheid die de talen vermoordt. En ook dat ideaal propageert Philipson in zekere zin.

Toch is Philipsons kritische blik nuttig. Het is waar dat de wereldwijde prominentie van het Engels zich niet zomaar heeft voorgedaan – dat het ’t gevolg is van onder andere politieke actie. Het is ook waar dat Engelsen, Amerikanen, Australiërs, enz., profiteren van deze stand van zaken. Alleen richt Philipson naar mijn gevoel zijn pijlen net de verkeerde richting op. Die Engelsen en Amerikanen hadden het mis. We kunnen hun taal gewoon van ze afpakken.