Gedicht: A. Roland Holst – De tussenkomst

De tussenkomst

Bij mijn tafel, toen de kamer donker werd, kwamen
uit de voortijden twee gedaanten staan, en zij
wezen op een kristal, roepende mij bij namen
van wind en licht: de dood rees als een maan in mij.

Maar ruisend kwam een derde en wees mij de rand wolken,
die in het gouden westerraam lagen gedoofd:
ik zag, en weedom om de puinen van de volken
zonk in mijn hart toen hij zijn hand legde op mijn hoofd.

A. Roland Holst (1888-1976)
uit: De wilde kim (1925)