Dageraad

Door Michiel de Vaan

dageraad zn. ‘het aanbreken van de dag’

Vroegmiddelnederlands dageraet v. (1249), dageraid (1270–1290), dagerraet (1276–1300), dagraet (1291-1300), Dagheraet als bijnaam (1293), Middelnl. dagereit (1451–1500, Holland), Nieuwnl. dageraet m. (1572), daechraet (1599), dageraad (1793). Het behoud van dage- in de standaardtaal is vanaf de 17e eeuw vrij unaniem en in zoverre opvallend, dat de verwachte ontwikkeling tot daagraad al in 1599 wordt gevonden.

Verwante vormen: Middelnederduits dagerāt, dagerait, dagerēt, dāgerōt v., Oudhoogduits tagarōt m. ‘dageraad’, tagarōta v. ‘dageraad; avondschemering’, Middelhoogduits tagerât v., Oudengels dægrēd, dægrǣd o. ‘dageraad’, Oud-IJslands dagrāð o. ‘gunstig tijdstip’. Het woord werd ook als persoonsnaam gebruikt, bijv. in Ohd. Tagarat, OS Daghared, OE Dægred, al kan die ook onafhankelijk zijn ontstaan door het frequente voorkomen van Dag- en -Raad in Oudgermaanse namen.

De overeenkomst tussen –rāt in de Middelgermaanse talen en –rēd in het Oudengels wijst op een Proto-Germaanse samenstelling van *daga- ‘dag’ en *rēdi- ‘nuttige hulp, raad’, waarvan Nederlands raad afkomstig is. Dat laatste is afgeleid van PGm. *rēdan- ‘raadgeven, helpen’ waaruit o.a. Gotisch ga-redan ‘zorgen dat iets gebeurt’. Oud-IJslands dagrāð bewaart dan blijkbaar nog de oudere betekenis ‘gunstig tijdstip’ of ‘beginpunt’ van het zn. *rēdi-, waarin de oorspronkelijke betekenis ‘in orde brengen, slagen’ van het Indo-Europese werkwoord *Hreh1-dhh1 nog doorklinkt. Het opvallende vrouwelijk geslacht van ‘dageraad’ in het Middelnederlands en Mnd. stoelt mogelijk op analogie met ‘nacht’ of ‘ochtend’. De varianten op –rōt zijn blijkbaar door analogie met de kleur ‘rood’ ontstaan. De Hollandse vorm dagereit kan een Noordhollandse ee voor aa bevatten, of naar voorbeeld van be-, gereid zijn omgevormd.

Op de wikipagina van Etymologiebank stelt Olivier van Renswoude voor om het tweede lid van de samenstelling *daga-rēdi– die we beide aannemen, te verbinden met de Indo-Europese wortel *h2redh– ‘tevoorschijn komen, voortkomen’, waar o.m. Lets radît ‘baren’, Oudkerkslavisch roditi ‘baren’, Albanees rrjedh ‘stromen’ bij kunnen horen. Een betekenis ‘dag-verschijnen’ is natuurlijk goed voorstelbaar. Probleem daarbij is wel dat die wortel tot nu toe niet in het Germaans gevonden is (in tegenstelling tot de wortel van ‘raad’), en dat een lange klinker in de wortel in ‘raad’ verwacht is (als gevolg van de Indo-Europese structuur van de wortel) terwijl dat bij ‘tevoorschijn komen’ niet het geval is: daar zou *rēdi– als gerekte ē-trap verklaard moeten worden, wat niet onmogelijk is maar toch om een extra verklaring vraagt.

Andere bestaande theorieën kunnen verworpen worden. Jan de Vries (NEW 1971) neemt aan dat het woord een afleiding van ‘dag’ was met het suffix –ōþu-, waarmee abstracta gevormd werden van werkwoorden op -ōn- of van nomina (got. wratodus ‘reis’ bij wraton ‘reizen’, manniskodus ‘menselijkheid’). Maar de klinkervariatie in –rāt, –rōt kan niet op een oorspronkelijke *-ō- worden teruggevoerd. Van Haeringen, in het Supplement uit 1936 (p. 31) bij Franck & Van Wijk’s etymologisch woordenboek uit 1912, suggereert dat de r in dageraad een aanwijzing is voor een oude r-stam van ‘dag’. Nu bestaan daar buiten het Germaans wel aanwijzingen voor, en heeft het Germaans zelf een stam *dōgera- ‘etmaal’ (Kroonen, Etym. Dict. of Proto-Germanic, 2013, p. 97) die aan die r-stam herinnert, maar daarmee zijn de lange klinkers in ‘dageraad’ niet verklaard, noch de betekenis ‘ochtendschemering’.