Kom me dan maar naaien, lachte zij rustig

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (147)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Toen, met haar nachtmuts, droogde zij hem af.
Zoo was Agaath nu: de meest onverschrokken
maar tevens braafste ziel in vrouwenrokken
die ooit haar kittelaar te knabblen gaf.
Ik zal het nooit vergeeten: ééns, voor straf,
wijl zij steeds weer mijn klooten wilde slokken,
wat pijn deed, deed ik in haar bed twee brokken,
halfzachte stront en schold haar dan voor laf
wanneer ze ook dat niet in haar slokdarm stopte.
‘Nee, daar niet!, zei ze, maar wel hier!’ en propte
haar scheede voller dan een beurs met geld.
‘Nog wat?’ – ‘Nee’, zeide ik. ‘Kom me dan maar naaien’,
lachte zij rustig. En ik? stond te draaien:
‘k was van ons beiden vast de kleinste held.

(W.C. Kloot van Neukema [ps. van E. du Perron], In memoriam Agatha)

Met de erotische woordenschat zijn verschillende eigenaardige dingen aan de hand. Er is al vaak op gewezen dat het moeilijk is om geschikte woorden te gebruiken voor des mensen edele delen in een poëtische context: er zijn platte woorden zoals kut en lul en er zijn medische termen zoals vagina en penis, maar neutrale woorden zijn er eigenlijk niet.

Tegelijkertijd zijn er geloof ik geen lichaamsdelen van de mens waarvoor juist zoveel woorden zijn: Ton den Boon gaf onlangs een woordenboek uit met erotische woorden. Zulke woordenboeken zijn er al vaker geweest. Het lijkt me ondenkbaar dat er ooit iemand met zelfs maar een heel dun woordenboekje met namen voor de ogen, de neus en andere delen van het gezicht. Terwijl we daar toch iedere dag met z’n allen bij mekaar naar kijken.

Duurzamer

En dan is er nog iets: die taboewoorden veranderen eigenlijk bijzonder langzaam. Gegeven het feit dat er zo’n hele rij alternatieven voorhanden is (poes, doos, pruim, u weet wel), zou je verwachten dat de o zo private ‘echte’ namen om de zoveel generaties zouden veranderen. Maar dat gebeurt maar heel langzaam.

E. du Perron schreef in 1924 een erotische sonnettenkrans onder de naam W.C. Kloot van Neukema – die naam illustreert het vorige punt dus al, en dat doen ook de sonnetten, die tesamen het verhaal vertellen van een erotisch liaison tussen de verteller en een ‘keukenmeid’ met de naam Agatha.

Ook in zijn officiële, niet-pseudonieme werk hanteerde Du Perron een taal die dicht bij de spreektaal lag en die – daarom – minder verouderd lijkt dan het deftigere werk van sommige van zijn tijdgenoten: terwijl schrijftaal altijd bedoeld was als een manier om de vluchtige spreektaal op te tillen naar een niveau dat duurzamer was dan brons, lijkt in de afgelopen eeuw die gewone, spontane taal veel minder snel veranderd dan de schrijftaal.

Jonge Remco Campert

En dat geldt dus misschien nog wel meer voor taboewoorden: kittelaar, kloten en stront klinken nog even fris als toen Du Perron ze neerschreef.

Alleen het woord naaien – wordt dat nog gebruikt? Dat klinkt me eigenlijk nogal ouderwets in de oren, als in een gedicht van de jonge Remco Campert. Die daad is trouwens geloof ik ook het enige woord uit het rijtje dat in het moderne Nederlands een duidelijke noord-zuidscheiding kent (neuken, poepen). Waar dat aan ligt, weet ik niet. Misschien dat over de handeling toch neg iets meer gesproken wordt dan over de instrumenten en dat al dat gepraat de vorm wat variabeler maakt?