Keuzes maken

Door Jos Joosten

Het eerste gastcollege in de reeks ‘Literaire kritiek’ van Arjan Peters aan de Radboud Universiteit was gewijd aan En we noemen hem van Marjolijn van Heemstra. De recensies van de Nijmeegse MA-studenten waren overwegend positief. Zelf ben ik blijven dubben over dit boek.

Centraal in Van Heemstra’s boek staat het tamelijk spectaculaire verhaal van ‘bommenneef’, een oudoom van haar die in de familie naam maakte doordat hij ruim een jaar na de bevrijding, op Sinterklaasavond 1946, een bom liet afleveren bij een NSB-familie in Den Haag. Drie mensen kwamen om bij deze eigenrichting. Binnen de familie werd er steevast wat besmuikt gedaan over deze actie (waar hij voor veroordeeld werd): het waren immers ‘verraaiers’ die alsnog hun verdiende loon kregen?

Voor Van Heemstra wordt dit verhaal acuut wanneer ze zwanger wordt en ze een belofte aan haar grootmoeder zal moeten nakomen: ze kreeg van haar de zegelring van bommenneef Frans, op voorwaarde dat haar zoon zijn voornaam en doopnamen zou krijgen. Plots wordt het van belang te weten wie de oudoom nu eigenlijk was – en al snel: hoe legitiem zijn daad was.

Deze korte samenvatting toont het al: het verhaal zit zeer dicht op het eigen leven van de auteur en de werkelijkheid in zijn algemeenheid. De ik-figuur (en hoofdpersonage van het boek) heet Marjolijn van Heemstra, en veel van het overige is ook één op één te herleiden tot historische gebeurtenissen. Dat is de reden waarom het boek gaandeweg begint te wringen. Is het nu een roman of een reportage?

Het heeft er alles van dat Van Heemstra een roman heeft willen schrijven. Ze gebruikt evident literaire trucs en technieken, zoals de ontmoeting met haar – reeds lang gestorven – oom aan een Spaans strand en het, overigens tamelijk overbodige en vermoeiende aanduiden van haar partner met het initiaal ‘D’. Nogal een omslachtige exercitie waar het boek voorin een opdracht heeft voor haar zoon (die dus geen Frans is gaan heten – er zijn mindere spoilers) en, wat plichtmatig lijkt het, ‘natuurlijk ook voor David’.

Tegelijkertijd is ‘En we noemen hem’ een verslag van de feiten rondom de aanslag in Den Haag. En daar zit het probleem van dit boek: Van Heemstra heeft niet willen kiezen. In het zogenaamde gesprek met haar oom ‘bekent’ de schrijfster dat ze ‘leugens verteld’ heeft, ten behoeve van de opbouw van haar boek. Van twee kanten een rare bekentenis. Als romanschrijfster hoeft ze dat helemaal niet uit te leggen, want het is deel van het métier; als historica is het onvergeeflijk.

Van Heemstra’s boek lijkt in tal van opzichten op het eerder dit jaar verschenen Rijpstra’s ondergang van Arend Hulshof: een kritische balans van het verzetsverleden van zijn overgrootvader die oorlogsburgemeester was in Zelhem. Hulshof koos primair voor een gedocumenteerde aanpak, waarin hijzelf uiteindelijk wel ‘optrad’, maar de historicus was de baas.

Dat Van Heemstra haar boek primair als roman bedoelde, verklaart allicht iets als de rare opmaat van het boek. Het verhaal van ‘bommenneef’ wordt eerst in familiekring geverifieerd bij allerlei oudtantes en dergelijke types, en pas dan komt ‘Marjolijn’ op het idee om eens historische bronnen te gaan checken. Mijn eigen eerste reflex zou direct ‘Delpher!’ geweest zijn, maar zelfs als je wat minder maniakaal geobsedeerd bent met zoeken, heb je anno 2017 toch Google voor rudimentaire vondsten bij de hand. (Dat internet gaat echt nog eens een heel groot worden.) Tweede stap (en niet pas stap vijf of zes) is het Rijksarchief.

En natuurlijk mag Van Heemstra componeren en structureren wat ze wil, daar is ze schrijfster voor – maar had ze dan niet rigoureus moeten kiezen om een echte eigenstandige autonome roman te schrijven? Een technisch volkomen afgebouwde constructie als De donkere kamer van Damokles of beter nog De Aanslag, waar het verhaalgegeven veel van weg heeft. Overigens is toch niet goed voorstelbaar dat Mulisch in De Aanslag ergens een intermezzo zo hebben ingebouwd waarin hij uitlegt welke trucs hij uithaalde met de historische werkelijkheid (anders dan met het oogmerk elke waarheidsclaim alleen maar verder te vertroebelen).

Als romanfiguur was de historische naïviteit van ‘Marjolijn’ ook minder schrijnend geweest. Van Heemstra’s hoofdpersonage heeft een wel zeer rudimentaire kennis van de naoorlogse geschiedenis van Nederland. En nu hoef je niet per se Vestdijks Bevrijdingsfeest al sinds je vijftiende op je nachtkastje te hebben liggen, maar dat je Chris van der Heijdens Grijs verleden (en de hele discussie er rondom) niet blijkt te kennen, vind ik licht verbijsterend.

Ik weet niet of je van een trend mag spreken, maar En we noemen hem lijkt mij typisch voor een tendens om boeken te publiceren die voor alles herkenbaar, dicht bij de auteur, met veel innerlijk leven (het beleven van de zwangerschap) en weinig distantie – vaak ook journalistiek registrerend van toon – zijn geschreven. Zelf zou ik stilaan wel weer eens een roman als kunstwerk willen lezen.