In ligstoelen luiert het schuim van de naties

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (145)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Kust van Guinee

Zacht ruischt langs den scheepswand het schuim,
Langs de kim vloeit aanhoudend geflikker.
De kopra broeit in het ruim,
De kaptein wordt hoe langer hoe dikker.

De sterren beklimmen het ruim,
Hoog boven den mast – o, was ik er!
In ligstoelen luiert het schuim
Van de naties op dek, meest half sikker.

De zee is zoo goed en zoo groot,
Maar het schip zoo benauwd en zoo klein,
En het leven eentonig en schriel.

Men kan beter in Noordwijk, Deauville
In een strandstoel ’t zeeleven genieten,
Dan door werkelijk zeeman te zijn.

J.J. Slauerhoff (uit: Een eerlijk zeemansgraf)

Dat de Nederlandse woordenschat gevormd is door de zee, daarvan getuigt het werk van J.J. Slauerhoff. De zee zorgde voor contact met ander volk – omdat je nog eens ergens kwam, en omdat je nog eens iemand anders meenam in je bootje.

‘Het schuim van de naties’ met name, zoals Slauerhoff het in dit gedicht noemt, een variatie op de staande uitdrukking ‘schuim der natie’ die hij hier zo oprekt dat je ieder woord weer even hoort: het is niet één natie waar dit schuim vandaan komt, dit zijn de allerbelabberdste mensen van álle naties. En door het enjambement ‘schuim / van de naties’ komt de nadruk te liggen op schuim, dat bovendien rijmt op het schuim in de eerste regel, waarin het woord in letterlijke betekenis wordt gebruikt. Het schuim is omgeven door schuim.

Het gedicht heeft een bijzonder ritme: iedere regel bestaat, met enkele Slauerhoffiaanse vrijheden, uit drie anapesten (tadaDAM tadaDAM tadaDAM). Je zou er het ruischen van het schuim in kunnen horen. Op papier zijn de regels ongeveer zo lang als je van een sonnettenregel verwacht (10 lettergrepen), maar doordat er maar drie klemtonen gebruikt worden in plaats van 5, klinken ze korter: de goed- en grootsheid van de zee en de benauwd- en kleinheid van het schip.

Kruiswoordraadsel

Taalkundig het opvallendst aan het sonnet zijn de leenwoorden. Wie Slauerhoff leest, moet er af en toe een woordenboek bij halen, niet omdat er woorden in staan die zo ‘geleerd’ zijn, maar omdat sommige woorden zo volks zijn, en behoren tot volk dat allang niet meer in ligstoelen op dek of strandstoelen in Noordwijk ligt.

Kopra betekent het gedroogd kiemwit van de kokosnoot, het is een woord dat een oosterse origine heeft – volgens het WNT het Hindi khopra ‘drogen’, volgens Van Dale het Malayalam woord koppara ‘kokosnoot’; beide bronnen zijn het er wel over eens dat het vervolgens via het Portugees tot ons gekomen is. In kranten vind je het de afgelopen decennia vrijwel alleen omdat Kopra op Curacao een familienaam is, of omdat het soms past in een kruiswoordraadsel.

Weggedreven

Zoiets geldt ook voor sikker: het is een Jiddisj woord voor ‘dronken’, dat je de laatste decennia alleen nog vindt als eigennaam, in kruiswoordraadsels of in de rubriek ‘verloren woorden’ van de zelf ook allang verloren krant Het vrije volk.

Samen laten zulke woorden zien hoe het in het Nederlands ook aan het begin van de eenentwintigste eeuw al klotste, hoe de taal toen ook, al dan niet tijdelijk, onderdak bood aan woorden van overal. Hoe het schuim der talen aan boord kwam – en hoe sommige woorden daarna ook weer zijn weggedreven.