Gedicht: Joost van den Vondel – Rei der joffers uit Noah (‘Waar bleef de zwaan?’)

• De rei-zang over de zwaan uit Vondels toneelstuk Noah verwoordt het lichtzinnige antwoord van de mensheid op de dreiging van de zondvloed: “De Joffers heffen een lied aan over de levenswandel van de zwaan, die onbekommerd op de vloed nestelt. Zwemmend brengt zij haar jongen groot en zelfs ‘Stervende zingt ze een vrolijk lied/ in ’t suikerriet’. De zwaan leeft dus niet alleen blij maar sterft ook zo: ‘Zij tart de nijdige dood uit lust/ met kwinkeleren, en triomferen,/ en sterft gerust.” Volgens sommigen behoort deze ‘zwanenzang’ tot het allermooiste wat Vondel geschreven heeft.
De volledige tekst van Noah leest u hier. Een zeer volledige samenvatting hier.

Waar bleef de zwaan?
Zou het al zinken en vergaan,
Waar bleef de zwaan?
Waar bleef de zwaan,
De zwaan, dat vrolijke waterdier,
Nooit zat van kussen?
Geen waatren blussen
Haar minnevier*.

’t Lust haar te nestlen op de vloed,
Zij kweekt de gloed,
Zij kweekt de gloed
Met hare vrolijke wederga,
En kipt* hare eiers,
en acht geen schreiers,
Noch vreest geen scha.

Vliegende jongen zwemmen mee
Door stroom en zee,
Door stroom en zee.
Zij groeit in ’t levendig element,
En wast de veren,
En vaart spansseren*
Tot ’s levens end.

Stervende zingt ze een vrolijk lied
In ’t suikerriet,
In ’t suikerriet.
Zij tart de nijdige dood uit lust
Met kwinkeleren
En triomferen,
En sterft gerust.

Stervende zoekt haar flauw gezicht
Nog eens het licht,
Nog eens het licht,
De bruidschat van de natuur te leen
Aan elk gegeven,
Om blij te leven:
Zo vaart ze heen.

Joost van den Vondel (1587-1679)
uit: Noah, of ondergang der eerste weerelt (1667)

minnevier = minnevuur
kipt = broedt uit
vaart spansseren = spelend eropuit trekken