Gedicht: A.C.W. Staring – Waterloop

Waterloop

Nu baant zich ’t Nat
Een heimlijk pad,
En tjilpt en fluistert,
In bloem en blad
Voor ’t oog verduisterd.
Nu dartelt vrij,
Op gouden zanden,
De stroom voorbij.
Hij schuurt zijn randen
Allengskens uit,
En sleept den buit
Van kleiner vlieten
Geweldig voort;
En golven schieten,
Van ver gehoord,
Langs ’t rotsig boord.
Nu vangt een dal
Den Waterval.
Een glinstrend kleed
Ligt stil verbreed,
In ’t nieuwe perk.
Het loofgewemel,
Het bonte zwerk,
De blaauwe hemel,
Zien statig neêr
Op ’t effen Meer.

A.C.W. Staring (1767-1840)