Dialect in de klas

Door Astrid Wijnands

Eind september publiceerde de NOS een drieluik geheten ‘Dealen met je dialect’ <1|2|3>. De NOS had eerder een oproep op Facebook geplaatst om erachter te komen of dialectsprekers last zouden hebben van negatieve reacties en welke reacties dat dan zouden zijn. Op die oproep kwamen 28.000 reacties binnen en zo’n 150 mensen wilden graag hun ervaringen delen.

In het drieluik maken we kennis met jongeren en volwassenen uit heel Nederlands, van Groningen tot Maastricht, van Zeeland tot Twente. Allen geven aan trots te zijn op hun dialect en zij spreken hun dialect dan ook graag. De keerzijde van de medaille is dat zij ook vaak niet serieus genomen worden als zij hun dialect spreken. Zo moet acteur Bart logopedie volgen om zijn Achterhoekse accent kwijt te raken, wil hij als acteur rollen aangeboden krijgen en voorziet Myriam uit Terneuzen dat zij haar Zeeuwse accent moet aanpassen aan het Standaardnederlands als zij straks als afgestudeerd advocate aan de slag gaat. Soms gaat het nog verder en worden dialectsprekers uitgescholden als domme boeren of krijgen ze te horen dat ze maar terug moeten naar hun ‘eigen land’. Docent Adele Spikker van het Deltion College in Zwolle besteedt juist in haar lessen aandacht aan de meerwaarde van streektaal in de zorg. Door de taal van de patiënten te spreken is er sprake van een beter contact tussen zorgverlener en zorgdrager.

Het materiaal dat de NOS gepubliceerd heeft, bevat drie filmpjes die zeer geschikt zijn om in de klas te laten zien. In deze filmpjes zijn de dialectsprekers zelf aan het woord, laten zij horen hoe trots zij zijn op hun dialect en delen zij hun ervaringen. Het materiaal is goed te gebruiken als ‘opwarmer’ om het met leerlingen van gedachten te wisselen over dialecten en houdingen ten opzichte van dialectsprekers.

In de Taalcanon zijn er twee lemma’s gewijd aan dialecten, nl. het lemma geschreven door Hans Bennis ‘Hoeveel dialecten heeft het Nederlands?’ en het lemma geschreven door Jos Swanenberg ‘Sterven de Nederlandse dialecten uit?’. Hans Bennis legt uit dat het niet zo makkelijk is vast te stellen hoeveel dialecten er in het Nederlands bestaan. Dialecten zijn namelijk niet stabiel en kunnen in veel gevallen ook niet zo goed van elkaar onderscheiden worden. Bovendien ontwikkelen veel dialecten zich ook van lokale dialecten (zoals het Ootmarsums) naar regiolecten (zoals het Twents). Het tellen van dialecten is volgens Bennis onbegonnen werk. Jos Swanenberg legt uit dat alhoewel steeds minder mensen een dialect spreken, er nog grote verschillen bestaan in het Nederlands dat gesproken wordt. Door het spreken van dialect of regiolect kunnen mensen laten zien waar zij vandaan komen. Die herkenbaarheid is voor jonge generatie belangrijk.

In het onderwijsmateriaal dat de taalcanoncommissie samen met een werkgroep van docenten uit het vo en hbo in 2013-2014 gemaakt heeft, is er geen lesbrief die speciaal gaat over dialecten. Echter, de lesbrief ‘Alle lemma’s: onderzoek en presentaties Taalcanon’ bevat wel een ingang om met dit onderwerp aan de slag te gaan in de klas. Deze lesbrief is ontwikkeld door Judith Nobels en Sven Kruizinga van het Stedelijk Gymnasium Leiden en is bedoeld voor 4 vwo, maar is naar eigen inzicht aan te passen voor andere leerjaren en niveaus.

De lesbrief biedt de leerlingen een introductie in de taalkunde en in onderzoeks- en presentatievaardigheden. Elke leerling leest een artikel uit de Taalcanon, doet vervolgens een klein taalkundig onderzoekje met betrekking tot dat onderwerp en presenteert zijn bevindingen in een korte presentatie. Omdat de leerlingen uit een klas verschillende onderwerpen moeten kiezen, zal een groot deel van de onderwerpen uit de Taalcanon onderzocht en gepresenteerd worden. Voor de docent staat er op de site van de Taalcanon ook een lijst met onderzoekssuggesties per vraag uit de Taalcanon met eventuele interessante websites of filmpjes. Bij de vraag ‘Hoeveel dialecten heeft het Nederlands’ wordt bijvoorbeeld gesuggereerd om het dialectgebruik van een BN’er te analyseren of om een dialectspreker te interviewen. Ook wordt er verwezen naar de DynaSand (De Dynamische Syntactische Atlas van Nederlandse Dialecten) waarmee leerlingen dialecten van bepaalde dorpen met elkaar kunnen vergelijken.

Als docent kun je ervoor kiezen de lesbrief in zijn originele vorm te volgen waardoor de leerlingen elk met een eigen onderwerp aan de slag gaan. Met het materiaal van de NOS en de twee lemma’s uit de Taalcanon kun je als docent er ook voor kiezen gezamenlijk het onderwerp ‘dialecten’ te onderzoeken. Leerlingen kunnen zo met elkaar in gesprek (bijvoorbeeld in een meningvormende discussie of een debat) over hun houding ten opzichte van verschillende dialecten en/of accenten in Nederland en over hun eigen ervaringen met dialecten of accenten. Ook kunnen zij individueel of groepsgewijs de onderzoekjes die in de lesbrief gesuggereerd zijn, uitvoeren. Hun onderzoeksbevindingen kunnen ze aan elkaar presenteren in posterpresentaties. Door dit onderwerp te behandelen in de klas kun je als docent niet alleen met dialectsprekende leerlingen onderzoeken hoe zij dealen met hun dialect, maar kun je ook leerlingen die Standaardnederlands spreken, bewust maken van de verscheidenheid aan dialecten en/of accenten in het Nederlands en hun houding ten opzichte van mensen met een andere tongval.

Bronnen

M. de Smit (2017). Dealen met je dialect: ‘ze zien ons al boeren, bierzuipers, klompendragers’. Geraadpleegd op Website NOS.

J. Duijst (2017). Dealen met je dialect: ‘Je voelt je minderwaardig’. Geraadpleegd op Website NOS.

M. de Smit (2017). Dealen met je dialect: zij zijn gewoon kei-trots op hun taal. Geraadpleegd op Website NOS.

www.taalcanon.nl