Dat is een heel goede vraag…

Door Guusje Jol

Laatst was het zo’n lome zaterdag waarop ik op de bank hing met een kop thee en luisterde naar de Taalstaat op de radio. Maar opeens zat ik recht overeind. Frits Spits signaleerde dat in interviews vaak wordt gezegd: ‘dat is een goede vraag’. Hij liet daarvan een flink aantal voorbeelden horen, plus variaties op het thema.

Hij gaf ook commentaar op de formulering. De versie van zaterdag was een gecomprimeerde versie van de dag ervoor, dus hier de uitgebreidere versie. De interactie met De Ochtend-presentator Carl-Johan de Zwart heb ik weggelaten; het einde van het commentaar volgt aan het einde van dit stuk:

‘Nu lijkt [‘dat is een goede vraag’ een] compliment voor de vragensteller. Is niet zo, helaas Carl-Johan. {…}

De geïnterviewde koopt er tijd mee. De vraag is niet goed, noch slecht. ’t Is een vraag waar even over nagedacht moet worden. De paar seconden die ’t oplevert, de ruimte die wordt gecreëerd, geeft de kans om een beter antwoord te formuleren.
‘Een goede vraag’ is meestal géén goede vraag, of in ieder geval geen bijzondere vraag. Een goede vraag is gewoon wachttijd voor een antwoord. Dus als je iemand hoort zeggen ‘goede vraag’, dan wéét je waarom het gezegd wordt.’

Je kunt hier verschillende vragen over stellen. Bijvoorbeeld:Waarom zou uitstel niet samen kunnen gaan met een compliment?

  • Hoe kun je weten waarom iemand in een specifiek geval ‘dat is een goede vraag’ zegt?
  • Stel dat iemand inderdaad alleen uitstel bedoelt te genereren. Waarom sluit dat uit dat ‘dat is een goede vraag’ als een compliment functioneert? (Je kunt er moreel iets van vinden, maar een ongemeende uitnodiging functioneert ook nog steeds als een uitnodiging.) Maar daar wil ik het nu allemaal niet over hebben.

Frits Spits heeft natuurlijk gelijk dat ‘dat is een goede vraag’ uitstel oplevert. En het is zeker een intrigerend begin van een antwoord dat de aandacht van taalliefhebbers waard is.

Maar dan komt het:

‘Het is helemaal geen goede vraag. Want een écht goede vraag die genereert metéén een antwoord.’

Hm.

Kritische en onverwachte vragen

De voorbeelden die Frits Spits laat horen, komen uit interviews. Daarom lijkt het logisch dat de ‘dat is een goede vraag’- antwoorden komen van de geïnterviewde.

Voor zover mij bekend, wordt het gewaardeerd op radio en tv als de interviewer niet alles voetstoots aanneemt en kritische vragen stelt, binnen zekere grenzen natuurlijk. Ook is het fijn voor interviewers als een geïnterviewde tijdens het interview iets nieuws of onverwachts meldt. En dat is nog niet eenvoudig gelet op alle mediatrainingen en het aantal interviews die sommige mensen geven. Ik bedoel: er zullen weinig vragen zijn die nog niet aan Mark Rutte zijn gesteld. Daarom is een deel van de kunst van interviewen dat de interviewer ook onverwachte vragen stelt. Ik heb dan ook wel eens begrepen dat interviewers nooit vooraf inzicht geven in álle vragen.

Juist als je vragen stelt die een beetje onverwacht zijn of kritisch, kan het goed zijn dat de geïnterviewde even moet nadenken. Niet iedereen en niet altijd, uiteraard. Maar het kan zomaar zijn dat het feit dat de geïnterviewde bedenktijd nodig heeft, een indicatie is dat de vraag juist een goede journalistieke vraag is. Terwijl een prompt antwoord misschien al tig keer geoefend is met de spindoctor.

Niet mee in de voorwaarden van de vraag

Je kunt ook betogen dat de snelheid waarmee een antwoord volgt überhaupt niet te maken heeft met de kwaliteit van een vraag (volgens wat voor standaard dan ook). Uitstel van antwoorden komt bijvoorbeeld voor wanneer geadresseerde van een vraag niet helemaal mee gaat in de randvoorwaarden die de vorige spreker heeft geïntroduceerd. Bijvoorbeeld:

Frank du Mosch en Frits Bolkestein (Netwerk – 25 januari 2008)

1 Du Mosch:      mark rutte de huidige leider,
2                die heeft het vaak (.) over dit kabinet,
3                als't tweede kabinet den uyl.
4                (0.3)
5 Bolkestein:    [ja  ]
6 Du Mosch:      [is d]at een gelukkige beeldspraak?
7 Bolkestein: →  •hh (0.5) uh ik denk dat dit kabinet een stuk beter
is,
8                dan het kabinet den uyl,
9                ik beschouw dat <tweede> kabinet,
10               of liever gezegd >dat kabinet den uyl<,
11               als het slechtste kabinet sinds de oorlog,
12               •h (0.4) dit kabinet is (.) niet goed,
13               •h maar niet- lang niet zo slecht als dat kabinet
van
14               den uyl.

(fragment uit Sliedrecht 2013: 222)

De vraag van de interviewer in regel 6 stuurt aan op een ja- of nee-antwoord. Maar daarmee plaatst Du Mosch Bolkestein voor een dilemma. Volgens het antwoord van Bolkestein in regel 7-14 vindt hij de typering ‘het tweede kabinet Den Uyl’ niet terecht. Samengevat: een nee-antwoord. Maar met ‘nee’ zou Bolkestein zijn mede-VVD-er Mark Rutte direct  en expliciet afvallen.

Precies op dit moment stelt Bolkestein zijn antwoord uit met een hoorbare inademing (•hh), een halve seconde stilte en ‘uh’ (regel 7). Hij signaleert zo een probleem in de beantwoording van de vraag. Vervolgens geeft hij géén ja of nee-antwoord en voegt dus zich niet naar het format dat Frank du Mosch heeft voorgesteld. Deze afwijking van de agenda van de interviewer stelt hem in staat om zijn eigen mening te geven zonder zijn partijgenoot  direct af te vallen met een ja of nee.

Laat de stilte het werk doen

Een ander mooi voorbeeld van uitstel hoorde ik tijdens de aflevering van Strictly Come Dancing van 30 september 2017. Priester Richard Coles is deelnemer in de jaarlijkse televisie danswedstrijd op de BBC. Afgelopen week deed hij een ‘American smooth’, zij het een wat ruige versie. Na afloop vraagt presentatrice Tess Daly aan jurylid Darcy Bussell om haar deskundig oordeel.

1   Tess:         Was the reverend smooth enough for you Darcy
2   Darcy:      → Oooh
3               → [((stilte))
4               → [((kijkt naar de deelnemer))
5   Tess:            [↓oooh.
6   Darcy:           [((trekt moeilijk gezicht,kijkt naar plafond))
7   Publiek:         [((lacht))
8   Coles+partner:   [((lacht))
(https://www.youtube.com/watch?v=vNGZChefRtE: 1.04.45)

De vraag in regel 1 werkt toe naar een ‘yes’ of liever nog een ‘certainly’ of ‘absolutely’: een complimenteuze beoordeling van de dansprestaties van de geestelijke. In plaats daarvan stelt Darcy haar antwoord uit met ‘Oooh’ en een pauze waarin ze de deelnemer aankijkt (regel 2-4; de vierkante haken betekenen dat dit tegelijk plaatsvond).

Dit uitstel is voldoende om aan te kondigen dat ze niet de ‘thumbs up’ gaat geven waar Tess in regel 1 naartoe werkte. Hilariteit alom (regel 7 en 8; de inspringende haken duiden ook gelijktijdigheid aan, maar dan ná regel 3 en 4). Het punt is dat Darcy via het uitstel hier al heeft gecommuniceerd dat het commentaar niet al te best gaat worden. En daarmee is het voorwerk voor het jurycommentaar al gedaan.

Gelegenheid om het gemakkelijker te maken

Uitstel van antwoord kan ook uitnodigen tot aanpassing van de vraag. Dat zie je in het volgende voorbeeld uit telefonisch onderzoek:

Onderzoeksvraaggesprek afvalscheiding
1   interviewer:     de eerste v:↓vraag e:h hoeveel huisvuil
2                    heeft u hier: per week ongeveer.
3                    (1,0)
4   interviewer:  → ºis da[t veel of (weinig)º
(fragment uit Mazeland 2008:85)

De interviewer stelt een vraag in regel 1 en 2, maar in regel 3 valt een stilte van een seconde. De interviewer oriënteert zich op die stilte. In regel 4 herformuleert de interviewer de vraag in twee opties, en legt de vraag zo impliciet uit. De interviewer behandelt de stilte dus als een indicatie dat de geïnterviewde de originele vraag moeilijk te beantwoorden vindt.

Uitstel van een antwoord geeft dus de interviewer de gelegenheid om te hulp te schieten en een mogelijk probleem te verhelpen. Uitstel kan in die zin dus enorm nuttig zijn in reactie op een vraag.

Dit had Frank du Mosch ook kunnen doen, maar ja, een interviewer is er niet om het leven van een politicus gemakkelijker te maken…

Natuurlijk kan het ook zijn dat de interviewer ernaast heeft gezeten en de stilte verkeerd heeft geïnterpreteerd. En dat blijkt dan mogelijk weer uit het vervolg van het gesprek.

Wie of wat genereert een antwoord?

De geadresseerde van een vraag kan zich dus verzetten tegen de kaders van de vraag of tegen de richting waarin hij of zij geduwd wordt. Dit brengt me bij de formulering ‘een goede vraag genereert meteen een antwoord’.

Die formulering suggereert dat de vraag zonder tussenkomst van de spreker ‘automatisch’ leidt tot een antwoord. Juist het feit dat geïnterviewden zich kunnen verzetten laat zien dat niet zozeer de vraag, maar de geïnterviewde een antwoord genereert. De vraag nodigt uit tot een antwoord en schept kaders. En dat kunnen lastige en dwingende kaders zijn. Maar de geïnterviewde is geen computer die na een druk op de knop een bepaald antwoord uitspuugt. Gelukkig niet! En uitstel is één van de middelen die de geïnterviewde kan inzetten.

Tot slot: snorretje?

Kortom, de koppeling tussen de snelheid van het antwoord aan de een goed/slecht-oordeel over de vraag is volgens mij te snel. Nou doet uitstel door ‘uh’, stilte of ‘oh’ vast andere dingen dan ‘dat is een goede vraag’. En een jurycommentaar vragen is geen interviewvraag. Naar die verschillen zou je onderzoek kunnen doen. Maar je kunt wel zeggen dat uitstel eerder iets zegt over de relatie tussen de vraag en het antwoord dan over de vraag op zich. En áls je al een koppeling zou willen maken tussen promptheid van het antwoord en kwaliteit van de vraag, kun je twijfelen aan de redenering: goede vraag = snel antwoord.

Tot slot nog het laatste deel van het radiocommentaar bij de kwestie:

‘Ken jij een voorbeeld van een echt héél goede vraag? Ik hoor wel interviewers die héle goeie vragen stellen. Zal ik er eens eentje laten horen? Van Jan Lenferink. Die vroeg ooit aan minister Luns: ‘Wanneer bedacht u dat snorretje?’ Kijk dát vond ik een goede vraag.’

Wat ik me nou afvraag: gaf Luns meteen antwoord op die vraag over het snorretje of stelde hij het uit?

Literatuur

Keun Sliedrecht (2013). Formulations in institutionele interactie: de praktijk van ‘samenvatten’ in het politieverhoor, sollicitatiegesprek en journalistiek interview. Utrecht: LOT.

Harrie Mazeland (2008). Inleiding in de conversatieanalyse. Bussum: Coutinho.

De Ochtend; 15 september 2017.