150 jaar Snikken en grimlachjes (2)

Door Peter van Zonneveld

Arnon Grunberg had mij uitgenodigd op zondag 29 oktober met hem in gesprek te gaan over Snikken en Grimlachjes. Maar eerst vertelde hij daar in Bibliotheek De Korenbeurs te Schiedam over zijn fascinatie voor Haverschmidt. In de tweede klas van de middelbare school werd hij op zekere dag de klas uitgestuurd wegens wangedrag. Hij diende zich te vervoegen bij de conrectrix van zijn school, het Vossius Gymnasium te Amsterdam. Mevrouw Luger gaf hem de opdracht, het vers ‘Aan Rika’ van Piet Paaltjens uit zijn hoofd te leren. Sindsdien liet deze dichter hem niet meer los. Snikken en Grimlachjes bleek bij zijn vader in de boekenkast te staan. Die was een groot liefhebber van Heinrich Heine, die zijn echtgenote graag uit Heines gedichten hoorde voorlezen. Voor Arnon was deze kennismaking met HaverSchmidt van grote betekenis. Die combinatie van liefde en dood sprak hem bijzonder aan. Hij vermoedde, dat hij in zijn latere leven ook met liefdesverdriet te maken zou krijgen.

Vele jaren later, in augustus 2012, beloofde hij in de Volkskrant iedereen die ‘Aan Rika’ uit het hoofd kon opzeggen, een glas wijn. Dat liep storm, zodat hij een selectie moest maken. Die uitverkorenen kwamen bijeen in een overvol café Scheltema aan de Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam. Hij loofde ook een prijs uit voor wie de beste prestatie leverde en had mij gevraagd om daarbij jurylid te zijn. Het werd een memorabele avond. We kenden elkaar sinds 2008. Arnon werd toen gastschrijver in Leiden en ik begeleidde hem daarbij.

Nu, vijf jaar na die avond bij Scheltema, wilde hij met mij van gedachten wisselen over HaverSchmidt. Daartoe legde hij mij een aantal passages voor uit De dominee en zijn worgengel, de biografie die Rob Nieuwenhuys aan HaverSchmidt had gewijd. De eerste druk verscheen in 1964, een tweede, herziene in 1994, honderd jaar na HaverSchmidts dood.
Zijn conrectrix, Anneke Luger, is een vriendin van mij. Zij was trouwens ook de beste vriendin van Hella S. Haaasse. Ik beloofde hem nu om haar te vragen of zij zo’n straf vaker had uitgedeeld.

Ik heb de biografie van Rob Nieuwenhuys altijd een mooi boek gevonden, maar meende alleen dat hij zich bij de selectie van documenten wel erg had laten leiden door het idee, dat alles onherroepelijk naar HaverSchmidts zelfmoord voerde. Hij had dan ook vooral die fragmenten uit de preken opgenomen, die van somberheid en zwaarmoedigheid getuigden. Bovendien waren ze vaak uit de contekst gelicht, zodat het positieve slot van de preek uit het zicht bleef. Dat blijkt uit de masterscriptie van Bernard Schelhaas, een emeritus predikant die zich op mijn verzoek over die preken had gebogen. Zo had deze vastgesteld dat Nieuwenhuys de preek ‘Ik geloof het niet meer?’ als zijnde autobiografisch had opgevat en het vraagteken had weggelaten, terwijl HaverSchmidt iemand met geloofstwijfel met zijn preek juist een hart onder de riem wilde steken.

Op Arnons vraag of HaverSchmidt als kind al nadacht over de dood, kon ik bevestigend antwoorden. Ik verwees naar een van zijn meest populaire voordrachten, ‘Wij gaan een hele dag uit rijden’, opgenomen in HaverSchmidts bundel Familie en Kennissen. Aan het eind van een heerlijke dag, als het hele gezin plus tante genoten heeft van een tocht door de vrije natuur, en tevreden huiswaarts keert, piekert de achtjarige hoofdpersoon over een netelig probleem. Ik heb die passage nu nog eens opgezocht:

‘Zonderling, maar terwijl de anderen voortgaan met zingen, verdiep ik mij in de vraag, wie van ons het eerst zal moeten sterven. Ik ga ze allen na, een voor een: vader, moeder, mijn oudsten broer, mijn oudste, mijn middelste, mijn jongste zuster, eindelijk mijn broertje, en ik kom tot het besluit dat ik er niet één van missen kan. En ik doe in het verborgen een gebedje, dat, als er dan toch spoedig een doodgaan moet, ik het maar mag zijn, of anders (want ik zie er toch, alles wel beschouwd, erg tegen op om bij de overigen weg te moeten) dan, en liever nog, als ’t wezen kon … tante!’

Na een interessante discussie kon men in de pauze met Arnon Grunberg van gedachten wisselen. Er kwam een dame op mij af, die mij verweet, dat ik HaverSchmidts eerste standplaats, Foudgum, een dorp van ongeletterde boeren had genoemd. Zij kwam zelf uit Friesland en was het daar helemaal niet mee eens. Ik had gezegd dat het voor iemand die kort tevoren nog Praeses was van het Leids Studenten Corps en de geborgenheid van een warme vriendenkring had gekend, wel een grote overgang moet zijn geweest om zich op zijn 24e opeens verplaatst te zien naar een bescheiden gehucht van amper 150 eenvoudige zielen. En wat die ongeletterdheid betreft: dat vond HaverSchmidt zelf. Ik dacht ook niet dat Foudgum toen beschouwd kon worden als een centrum van kunst en cultuur. Het leuke is, dat er nu in HaverSchmidts pastorie aldaar een Bed & Breakfast is gevestigd, zodat je er kunt logeren.

Tijdens het tweede deel van de avond presenteerde Arnon een dichtbundel van een zwaarmoedige, intussen overleden vriend van hem, die verzen schreef in de trant van Piet Paaltjens. Hij heette Giovanni della Chiusa. Zijn speciaal voor deze avond in een oplage van honderd exemplaren uitgegeven bundel droeg de titel ‘7 Melancholische Gedichten’. Arnon las er uit voor, en bleek na afloop graag bereid om de boekjes te signeren. Zo creëerde deze eigentijdse HaverSchmidt zijn eigen Piet Paaltjens. In mijn exemplaar schreef hij, dat we over Paaltjens nog niet waren uitgepraat. Erg leuk allemaal. Schiedam kan terugzien op een geslaagde Piet Paaltjens Parade, waarbij allerlei onderwerpen aan bod kwamen. Met veel dank aan Jan van Bergen en Henegouwen en Kittie Boone van de organisatie. Mede dankzij hen bewaar ik aan de sfeer rond de drie bijdragen die ik heb mogen leveren, de beste herinneringen.