Niemand die er verstand van heeft, zal dat zeggen.

Door Marc van Oostendorp

Wat is een goed taalvoorschrift? Stel dat iemand, een moedertaalspreker, naar je toekomt – ‘jij bent toch neerlandicus?’ – met de vraag of het nu ‘hij wil’ is of ‘hij wilt’, wat zeg je dan? En vooral: wat voor argumenten gebruik je?

Een voorschrift moet uiteindelijk altijd gebaseerd zijn op een autoriteit – iets of iemand die de knoop doorhakt, een persoon die om de een of andere reden het juiste taalgevoel heeft, of de kracht van de traditie (‘zo hebben we dat altijd gedaan’) kent, van de rede (‘zo is het logischer’) of van de esthetiek (‘zo is het mooier’). Maar van die mogelijke bronnen van autoriteit blijft er bij nadere beschouwing geen een echt overeind, zo blijkt uit het nieuwe boek van Wouter van Wingerden.

Geen ‘precies’

We weten dat objectief – in de oren van iemand die geen belang heeft bij welke keuze dan ook, laten we zeggen: een Chinese taalkundige die onze taal niet machtig is – de ene Nederlandse zin niet ‘mooier’ klinkt dan de andere. We weten dat volgens de eigen logica van de taal dingen die mensen kennelijk zeggen niet snel kunnen worden afgekeurd. We weten dat alle talen overal ter wereld altijd veranderen, dat het afbreken van tradities dus minstens evenveel bij taal hoort als het handhaven ervan – wat ons dus geen argument geeft om aan bepaalde tradities te willen vasthouden. En mensen die een natuurlijke autoriteit beschikken over hoe het moet in de taal hebben we sinds het overlijden van Joost van den Vondel in 1679 niet meer.

Van Wingerden heeft zich daarom een onmogelijke taak gesteld: een boekje schrijven met 50 ‘taalkwesties’ in het Nederlands, en in ieder hoofdstukje een kopje ‘Hoe zit het precies?’ Want hoe het precies zit, dat valt nu eenmaal niet te zeggen. Er is in dezen geen ‘precies’.

Hoger niveau van abstractie

Van Wingerdens heeft het systematisch aangepakt. Hij wil de mensen niet belasten met onzinnige of achterhaalde regels. Hij zet allerlei methoden in om licht te werpen op zijn taalkwesties. Voor ieder van de kwesties (printen of uitprintenheel fijne vakantie of hele fijne vakantieeen aantal mensen is of een aantal mensen zijn, enzovoort) heeft hij aan een groep mensen op internet gevraagd welke constructie ze ‘beter’ vinden en welke ‘mooier’. Ook heeft hij uitgezocht wat de ‘experts’ vinden (dat betekent vooral de websites van Onze Taal en Taaladvies.net). Aan het eind van ieder hoofdstukje staat dan het kopje ‘hoe zit het precies?’ en een kopje ‘dit moet je onthouden’.

Wanneer je het zo doorleest, merk je hoe ingewikkeld het is voor welke taalregel dan ook vaste grond te vinden. Iedereen beroept zich uiteindelijk op anderen. Dat doen de zogenoemde ‘experts’ op de  door Van Wingerden geraadpleegde websites bijvoorbeeld in hoge mate. Ze vatten samen wat ‘de naslagwerken’ ervan zeggen zoals pakweg de Schrijfwijzer van Renkema. Het enige moment waarop ze zelf ingrijpen is als verschillende bronnen verschillende dingen zeggen; dan maken ze een keuze of zeggen dat het allebei kan, maar dat je wel moet beseffen dat je als je X zegt, de gebruikers van de Schrijfwijzer tegen de haren strijkt. De twee websites nemen zelfs af en toe ook elkaars oordelen mee. Doordat Van Wingerden deze gewogen samenvattingen van oordelen weer als ‘de experts’ beschouwt, komt hij op een nog hoger niveau van abstractie te staan.

Niemand die er verstand van heeft

Dat geldt natuurlijk ook voor de antwoorden van Van Wingerdens respondenten, die over het algemeen gerecruteerd zijn uit groepen van ‘taalliefhebbers’ die geïnteresseerd zijn in dit soort kwesties en dus heel goed weten wat er in ‘de naslagwerken’ wordt gezegd. Hun oordeel over wat er wel of niet ‘goed’ is, en mogelijk ook over wat er ‘mooi’ is, zal hierdoor minstens deels zijn gestuurd.

Dat leidt niet altijd tot een bevredigend resultaat. De allereerste kwestie in het boekje is ‘Hij wil of hij wilt’. In de enquête blijkt 62% van de respondenten alleen hij wil goed te vinden (en nog eens 12% die vorm ‘beter’ te vinden dan hij wilt), en 88% vindt hem zelfs ‘mooier’. Onder het kopje ‘wat zeggen experts’ vinden we dan:

Niemand die er verstand van heeft, zal zeggen dat je hij wilt mag schrijven. Hij wil is simpelweg de norm, zeggen alle taaladvies- boeken en -websites.

Wat hier niet voldoende duidelijk wordt gemaakt is dat het ‘verstand’ dat mensen ervan hebben, eigenlijk alleen is: weten wat weer andere ‘experts’ ervan vinden. Van Wingerden doet hier ook een nogal apodictische uitspraak. Ik vind bijvoorbeeld dat je best ‘hij wilt’ mag schrijven, maar kennelijk heb ik er dus geen verstand van, net zo min als de groep mensen (meer dan een derde) die in de enquête hebben ingevuld dat ‘hij wilt’ van hen ook mocht.

Niet zomaar

Onder ‘hoe zit het precies’ volgt een historische beschouwing.  Hij wil is van oorsprong een aanvoegende wijs geweest ‘omdat willen van zichzelf wat onbeleefd kan zijn’, een argument dat niet verder wordt uitgewerkt en dat ik ook niet goed begrijp: dat ik wil  onbeleefd is, begrijp ik nog, maar hoezo is hij wil dat ook? Hoezo wordt het dan beleefder in de aanvoegende wijs (waarmee je eigenlijk zegt: ik wil dat hij wil)?

En vooral: als de aanvoegende wijs uit het Nederlands verdwijnt zou het dan niet inderdaad beter zijn om alsnog hij wilt te zeggen?

Dat is echter niet de conclusie van Van Wingerden:

Hij wil is goed. Het is een uitzondering op de regel stam + t. Hij wilt is geen goed Nederlands en wordt dat ook nog niet zomaar.

Ook die laatste zin is onbevredigend: wat zou er moeten gebeuren om hij wilt wel acceptabel te maken? Volgens de redenering in dit hoofdstukje kan dat eigenlijk niet gebeuren: zolang de ‘experts’ alleen kijken wat andere experts erover zeggen, zal geen enkele taalregel ooit veranderen, tenzij iemand bij het overschrijven een foutje maakt. En ook in zijn eigen verklaring ‘hoe zit het precies’ komt Van Wingerden natuurlijk niet verder dan ‘het is nu eenmaal zo’. Er is geen ander antwoord.

Nu eenmaal

Dat lijkt me al met al een dieperliggend probleem met taalvoorschriften in onze tijd. Iedereen weet dat ze uiteindelijk niet meer zijn dan meningen van ‘de goegemeente’, maar die goegemeente beroept zich in toenemende mate ook  op dezelfde goegemeente bij wijze van verantwoording. Mij lijkt dat al met al een wankele basis. Hij is uiteindelijk gebaseerd op vertrouwen in ‘de experts’ en we zien dat vertrouwen overal afbrokkelen.  Van Wingerden doet een zeer lovenswaardige, goed geïnformeerde poging om wat hij zegt een empirische basis te geven voor zijn adviezen en hij schrijft het allemaal bevlogen en duidelijk op. Hij is de ideale docent, en wie wil weten wat de regels zijn moet hem inhuren;  maar mijn vermoeden is dat hij een vergeefse strijd voert waar het gaat om te proberen die regels te motiveren.

Wouter van Wingerden. ‘Maar zo heb ik het geleerd!’ De waarheid achter 50 taalkwesties. Utrecht: Van Dale, 2017. Meer informatie op de website van de auteur.