Een tragische jonkvrouw in het Muiderslot

Door Ton Harmsen

In marionettentheaters op Sicilië worden nog altijd scènes uit de Razende Roeland, de Orlando Furioso (1516) van Ludovico Ariosto gespeeld. Dit fantastische ridder-epos is in 1998 door Ike Cialona in Nederlandse verzen vertaald; in 1649 verscheen al een prozavertaling door Jan Jacobsz Schipper. En nog eerder werd de tekst gebruikt door P.C. Hooft: hij zette een toneelstuk op, Isabella, dat hij niet voltooide. Samuel Coster maakte het af zodat prins Maurits het in 1618 in het Muiderslot kon zien; het jaar daarop werd het gedrukt. Jan te Winkel, Pierre Tuynman, Mieke B. Smits-Veldt en vele anderen hebben zich over dat auteurschap (en over de andere Isabellaproblemen die ik hieronder aanstip) gebogen. Ik zie Hooft als de auteur van de eerste twee tonelen en als inventor van het geheel, en Coster als auteur van het bericht aan de lezer en als zelfstandige berijmer van de overige 4½ bedrijven. In 1618 vertoonde ook Costers literaire concurrent Theodoor Rodenburg zijn Rodomont en Isabella dat dezelfde episode uit Ariosto behandelt. Het lijkt mij waarschijnlijk dat Rodenburg lucht heeft gekregen van de plannen van Hooft, en dat hij hem voor heeft willen zijn, al was het maar om te laten zien dat hij binnen de kortste keren een tragedie kon schrijven. In de schouwburgen van Londen en Madrid had hij kennis gemaakt met heel andere poëticale opvattingen dan die van de Amsterdammers. Hoewel hij hem niet noemt, richt Coster zich in zijn voorrede duidelijk tegen Rodenburg. Coster spreekt zich uit over zijn eigen classicistische opvattingen, maar daarbij doet zich het probleem voor dat hij zich daar zelf niet aan houdt.

Het verhaal over de liefde en de zelfmoord van Isabella is een van de talloze nevenintriges in het epos over de ridder zonder vrees of blaam wiens daden  in de Franse en Italiaanse literatuur veelvuldig zijn beschreven; wij kennen hem vooral uit het Roelandslied. Ariosto geeft er een waanzinnig vervolg aan door Orlando, hopeloos verliefd op Angelica, uitzinnig en verwoestend door Europa te laten trekken, totdat zijn neef Astolfo op de maan zijn verstand terugvindt.

Het tragische lot van Isabella is door Rodenburg en door Hooft aan dezelfde passages uit canto 29 van Ariosto ontleend. Haar beminde Zerbino (Zerbijn) probeert Orlando’s zwaard Durendal te verdedigen en sneuvelt daarbij. Zij valt in handen van de snoevende Saraceen Rodomont, die dreigt haar te onteren; na overleg met de geest van Zerbijn voert zij een list uit: zij maakt Rodomont wijs dat zij een kruidenmengsel voor hem zal koken dat hem onoverwinnelijk maakt, op voorwaarde dat hij haar verder ongemoeid laat. Terwijl zij de kruiden kookt bedrinkt hij zich – als moslim is hij niet gewend aan alcohol dus dat gaat snel. Isabella demonstreert het middel door haar hals ermee in te smeren  Rodomont neemt de proef. Daar rolt haar hoofd over de grond, het kan nog één woord zeggen, drie keer: Zerbijn! Ariosto formuleert dit aldus:

.        Bagnossi, come disse, e lieta porse
.        All’incauto pagano il collo ignudo,
.        Incauto, e vinto anco dal vino forse,
.        Incontra a cui non vale elmo né scudo.
.        Quel uom bestial le prestò fede, e scorse
.        Sì con la mano e sì col ferro crudo,
.        Che del bel capo, già d’Amore albergo,
.        Fe’ tronco rimanere il petto e il tergo.

.        Quel fe’ tre balzi; e funne udita chiara
.        Voce, ch’uscendo nominò Zerbino,
.        Per cui seguire ella trovò sì rara
.        Via di fuggir di man del Saracino.
.                (Orlando Furioso, canto 29, stanza 25 en
.                de eerste helft van stanza 26)

In de vertaling van Ike Cialona:

.        Nadat ze had gedaan wat ze gezegd had,
.        Stak ze haar hoofd uit naar de domme man,
.        Te dommer daar de wijn gezegepraald had,
.        Waartegen helm noch schild ons hoeden kan.
.        Toen hij zijn slagzwaard uit de schee gehaald had,
.        Wist hij het hoofd waar Amor troonde van
.        De blanke schouders en de rug te scheiden
.        Door haar de nek met één klap door te snijden.

.        Het hoofdje stuiterde driemaal, en even
.        Riep het: “Zerbino!”, duidelijk maar flauw,
.        De prins die haar de liefde had gegeven
.        En die ze naar de hemel volgen wou.
.                (Ariosto: De razende Roeland deel 2 p. 1038)

‘Incauto’ kan je niet met ‘dom’ vertalen. Jan Jacobsz Schipper doet het in 1649 als volgt:

Izabella maekte haer dan nat, gelijk zy zeyde, en stak haer hals toen bloot uyt voor d’onbedachte Heyden, (misschien noch verheerscht van de wijn) tegens welcke schilt noch helm bestaen kon. Deze zotte en beestachtige Rodomont geloofde haer, en gaf met zijn wrede zwaert in zijn magtige hant zoodanig een slag, dat hy dit schone hooft, eer de woning der liefde, af-hieuw, en een romp van ’t ander maakte. ’t Hooft sprong driemael op, en dee, met dat’et van ’t lichaem wiert gescheyden, de  naem Zerbijn klinken; want deze schone ziel, om haer lieve Minnaer te volgen, en de handen dezer Heyden t’ontgaen, vont zo ongemene en gloryrijke weg.
.                (De razende Roelant 1649, p. 515)

Coster volgt hier het verhaal van Ariosto nauwkeurig:

.        Ziet daar, mijn Heer, ick zal my met het nat bestrijcken,
.        En dan zal deze proef aan Isabella blijcken,
.           Aan niemant anders, op dat ghy Heer Ridder wis
.           En seker daar in gaat dat dit de waarheyt is.
.        Nu ben ick vaardich, en mijn neck is oock van buyten
.        Staal hart, zo dat u zweert weerom te rug zal stuyten,
.           Hoe sterrick dat ghy slaat. Mijn kunst en is niet vals.
.           Ziet daar beproeft het vry op deze blancke hals.
.        Zerbijn! Zerbijn! Zerbijn!   Rod. Helaas! ick ben bedroghen.
.        Helaas! ha Rodomont! ha blixem scheurt mijn ooghen
.           Toch wt den kop. Jupijn komt kneust my ’t beckeneel:
.           Komt onder-aarts ghedrocht en dompelt my gheheel
.        In Lethees drabb’ge poel, en doet my zo vergheten
.        Dat ick dus reuckeloos dit hooft heb afghesmeten.
.                 (Hooft en Coster: Isabella, vs. 1810-1823)

In de zeventiende-eeuw werden bij voorkeur geen regie-aanwijzingen gegeven. Een moderne dramaturg zou vóór vs. 1818 hebben geschreven: ‘Hij slaat haar met zijn zwaard’. Coster is doordrongen van de aristotelische definitie van het toneel: er komt geen epische verteller aan te pas. Na deze scène volgt de apotheose van Isabella, onder gezang van de rei van hemellieden:

.                 Vorstinne der kuyscheden
.        U komen wy ten Hemel opwaarts halen;
.                 U vyerighe ghebeden
.        Doen ons dus inde Wolcken neder-dalen.
.                       Om u o Vrouw’,
.                       Kuysch en ghetrou,
.                 Te voeren in de wooning,
.                      Die God bereyde
.                      U en uw’ Zerbijn beyde
.                 Tot beloning.
.        (Hooft en Coster: Isabella, vs. 1888-1897)

Ook al is Isabella een tragedie, toch treden in het eerste toneel van dit vijfde bedrijf komische personages op: Ian Hen en zijn vrouw Labbekack.

Lab.         Op, op Jan Hen, op, wat soume by daach dus legghen luyen.
.                Op, op, segh ick, deuse lome bloedt.   Ian. Nu Labbekack wat sel dit beduyen?
Lab.        Dat sel zo veul beduyen datje jou slapen sult laten staan.
Ian.         Me kop doetme zoo sier.   Lab. ’t Best datter of is je selter niet op gaan.
Ian.         By den accermenten Labbekack.   Lab. By den Accermenten Jan Hen?
Ian.         ’t Is om zijn vijf sinnen te missen. Gort wijf je weet noch niet wie dat ick ben.
Lab.        Ja wel waar wiljer me heen? ’k wil hebben datje waackt.
Ian.         Je kentme noch niet.   Lab. O vryer, zo wel al had jeje selver emaact.
.                Zo mocht ickje niet beter kennen, op, op, seg ick, op, of ’twortje beurt.
.                       (Hooft en Coster: Isabella, vs. 1624-1632)

Dit soort bekvechten is de inleiding tot menige klucht. Coster gaat hier lekker zijn gang: hij treedt de eenheid van genre met voeten, evenals de waarschijnlijkheid. Het verhindert hem niet om te doen alsof hij de wijsheid in pacht heeft en dat zijn niet-genoemde tegenstander (Rodenburg) geen weet heeft van wat een  tragedie is. In de voorrede laat hij weten dat de auteur (lees: Hooft)

[…] Ariosten niet stip ghevolght en heeft. Vraacht ghy de waarom? hy heeft het niet willen doen; en om dat het een versiering is, behoeft hy ’t niet te doen; maar ontleent den vriendelijcken Italiaan alleen stof, om daar van alsulck maxsel van een Spel te bootsen, als hy, de ouden volgende, verstaat dat het wel is, dat is, dat het speelt op een Toneel, en op een tijdt, want die dat niet en doet, begaat even grooten misslach als een Schilder die de Stadt van Amsterdam in ’t voor-werck van een stuck ghestelt heeft, ende in ’t verschiet Haarlem zo sterck uytghemaact, datmen de luyden aan de wagens by de Sparrewouwer poort met de droncke voer-luyden om de vracht ziet staan krackeelen.
Ick zoude de onwetende in’t maken van Treurspelen wel wat onderrechts doen, dan zal ’t laten uyt vrese van haat en ondanck daar mede te behalen, en dat voornamelijck by die luyden, die daar niet af wetende, het alderbest wanen te weten. Mijn Heeren, dit Spel heet Isabella, en daar wort niet meerder in vertoont als hy stelt dat op eene tijt, en op eene plaats geschiet is: de lydende persoon is onnosel, daar wort niet in gerevekalt van byzinnigen die tegens hare schaduwe schynen te spreken: nocht an de andere zyde snorcken de ontsinde dollen, gene an den andere hangende redenen; elck spreect gangbare tale, sonder dat de Hollantsche met het lenen van wtheemsche woorden onteert wort; de waardy van yder is niet geheel, maar so veel als den Poeet doenlick geweest is, waar genomen.
Die weten wil waarom dat op alle dese dinghen wel te letten is, die lese Aristotelem, Horatium, Schalígerem, Danielem Heynsium, voortreffelicke mannen in wijsheyt en in allerleye wetenschappen, die ’t de moeyten waardt ghedocht heeft wel ernstlick haar werck daar af te maken, om te beschryven wat in ’t toestellen van Treurspelen waargenomen moet worden; alhoewel het de onwetende wt onwetenheyt, ende de overdwaalsche laat-dunckende wt kleenachtinge versuymen.
.        (Hooft en Coster: Isabella, fol. *2r-*2v)

Dit is ongetwijfeld een aanval op Rodenburg. Maar Daniel Heinsius zal het niet gewaardeerd hebben dat hij als autoriteit moet fungeren om een tragedie met sprekende hoofden en kluchtige personages te rechtvaardigen.

Alle elementen, de dronkenschap van Rodomont, de kuisheid van Isabella, het driemaal stuiterende hoofd dat drie keer Zerbijn zegt, komen overeen met wat Ariosto schrijft. Ook de eervolle apotheose en de wroeging van Rodomont ontleent Hooft aan het epos. Het is altijd een waagstuk epische stof om te zetten tot een toneelstuk. Misschien heeft het besef van die overmoed Coster ertoe gebracht naar hartelust in het treurspel kluchtfiguren in te voegen.

Foto’s van Rodenburgs Rodomont en Isabella zijn bij Ceneton te vinden; dit spel wacht nog op een vrijwilliger die een transcriptie maakt. De Isabella van Hooft en Coster is voor Ceneton door Gerrit van Uitert getranscribeerd naar de druk van 1619.

Dit bericht is geplaatst in letterkunde, websites met de tags , , , . Bookmark de permalink.

3 Responses to Een tragische jonkvrouw in het Muiderslot

  1. Anton schreef:

    Een luchtpijp afgesneên klinkt anders in de zael,
    Dan wordt Zerbijn SrB(blop), dat roept haar hoofd driemael.

    • Ton Harmsen schreef:

      Mooi! Maar kijk eens naar de afbeelding hierboven, een prent uit de vertaling van 1649.

      • Anton schreef:

        Duidelijk gebaseerd op de tekst, geen twijfel aan.
        Of het moest zo zijn dat de toneelmeester met verdwijnluiken en gaten in’t plankier een los liggend hoofd werkelijk aan het praten kreeg. Maar dan laat ik het stuiteren daar.

Reacties zijn gesloten.