Gedicht: A.C.W. Staring – Spelonk & Avondval

Spelonk

Het hol, waar binnen ’t licht
Voor tastbaar duister zwicht;
Dat diep, naar ’t hart der aard,
In bogten nedervaart;
Daar ’t piepend nachtgespuis,
De vale vledermuis,
Aan wand en bogen kleeft;
De pad haar gangen heeft;
De kille hagedis
Bij d’ ingang wachter is.


*

Avondval

De laatste dagstraal verwt den top
Der klippen; de dartele mug danst uit haar schuilhoek op,
De zangers in ’t geboomt verstommen;
De kever snort in ’t rond; de logge vlinders brommen.

A.C.W. Staring (1767-1840)