Quod licet Iovi non licet bovi: waarom liggen literatuurwetenschappers meer onder vuur voor hun jargon dan andere wetenschappers?

Door Freek Van de Velde

In 2003 heeft de beroemde psycholoog Steven Pinker, van beroep omverschopper-van-heilige-huisjes, geschreven dat “probably forty or fifty years ago literary critics were considered national heroes. Now they are kind of a national joke.” Dat is wat kort door de bocht, maar literatuurwetenschappers hebben het tegenwoordig niet gemakkelijk.

Je zou kunnen denken dat dat komt omdat literatuur aan prestige ingeboet heeft, en al enige tijd concurrentie ondervindt van films en tv-series. Dat is eigenlijk nog zacht uitgedrukt: de literatuur is, als vorm van entertainment, maatschappijkritiek en pijpleiding voor de Grote Verhalen van de Mensheid, volkomen gemarginaliseerd door die andere culturele media. In de twintigste eeuw kon je nog wel eens horen dat die tv-series platvloerse pulp uit het verderfelijke commerciële Hollywoord waren, maar met monumenten als The Wire of Breaking Bad was dat moeilijk vol te houden, zoals Vincent Colonna uitlegt in zijn cult-essay L’art des séries télé – mij nota bene aangeraden door een literatuurwetenschapper, ik weet niet meer precies wie.

Maar ik denk niet dat dat de werkelijke reden is waarom literatuurwetenschappers in de verdrukking gekomen zijn, want dan zou de oplossing zijn dat literatuurwetenschappers zich zouden toeleggen op beeldcultuur – wat ze trouwens ook doen. Het probleem is dat de manier waarop ze wetenschap bedrijven niet meer en vogue is: literatuurwetenschappers schrijven essays, en de cultus van het woord is met de neergang van de renaissance uit de gratie gevallen, zoals overtuigend uitgelegd wordt in Van der Horsts Het einde van de standaardtaal. Een wisseling van Europese taalcultuur (2008, Meulenhoff). Wetenschap is nu vooral: kwantificeren, samenvatten in grafieken. Beheersing van statistiek is relatief belangrijker geworden dan stilistisch meesterschap. En als literatuurwetenschappers zich omscholen tot ‘data scientists’ en zich inschrijven in de ‘Digital Humanities’-wending, dan kunnen ze publiceren in gevestigde tijdschriften (bijv. Karsdorp & van den Bosch. 2016. ‘The Structure and Evolution of Story Networks.’ Royal Society Open Science 3: 160071)

Literatuurwetenschappers als erflaters van een ouderwetse Renaissance-discipline dus. Goed, dat is dus één reden waarom literatuurwetenschappers een vermoeiend gevecht moeten leveren met mensen die niet veel zien in hun discipline. Er is echter ook een andere reden: de beroerde schrijfstijl van de discipline. Dat verwijt komt hard aan, kan ik me voorstellen. Als je toch al niet veel hebt met statistiek, kwantificatie, en boekhoudkunde, en als je integendeel een uitgesproken voorliefde hebt voor Tekst-hoofdletter-T, dan wil je niet horen dat je niet kunt schrijven.

Dat is een oud zeer. In 1979 kwam Karel van het Reve met een vilein stuk aanzetten dat zijn literaire vakbroeders weergaloos te kijk zette, zijn Huizinga-lezing van 1978. Ik heb dat stuk gelezen toen ik net afgestudeerd was, en hoewel ik vier jaar lang colleges Nederlandse letterkunde gehad heb, was deze tekst nooit ter sprake gekomen. Ik denk dat er een omerta bestond. Afgelopen zondag is die kritiek nog eens overgedaan in het stuk ‘Onleesbaarheid troef in literatuurwetenschap’ door Sebastien Valkenberg in De Volkskrant. En ja hoor: daags nadien nam Ine Kiekens (Universiteit Antwerpen) moedig de verdediging van de literatuurwetenschappers op, in een stuk op Neerlandistiek.

De twist tussen Valkenberg en Kiekens levert boeiend proza op (heldere stijl ook. Ik meld het maar even). Valkenberg ergert zich aan de inhoudelijke beuzelpraat. Daar heeft hij wel een punt. Er wordt in literair-wetenschappelijke publicaties inderdaad nogal vaak doorgezeurd wordt over scheve machtsverhoudingen. Menig literatuurwetenschapper heeft een bijna ziekelijke fascinatie over gender issues, en ze schrijven daarover in een weinig meeslepend jargon. Hij vindt dat literatuurwetenschappers wel wat beter hun best mogen doen om hun publiek ter wille te zijn. Ine Kiekens weerlegt die kritiek door erop te wijzen dat literatuurwetenschappers ook best andere dingen onderzoeken (daar heeft ze ook wel gelijk in – niet alle literatuurwetenschappers zijn vermoeiende social justice warriors behept met een zelotisch feminisme, die vooroorlogse blanke oude mannen aan de galg willen praten), en dat het een onredelijke eis is dat literatuurwetenschappers zelf begenadigde bellettristen moeten zijn.

Het interessante is dat Valkenberg wetenschappers uit andere takken van sport – hij noemt zelf chemici en AI-onderzoekers – uit de wind zet: die hoeven natuurlijk niet toegankelijk te schrijven. En hij lijkt het ook niet erg te vinden, of zich niet te realiseren, dat die disciplines net zo goed het verwijt treft dat ze uit ‘invuloefeningen’ bestaan. Een student die een scriptie schrijft in die disciplines moet ook bepaalde stappen volgen: data verzamelen, analyseren en volgens een vast stramien rapporteren. Kiekens gebruikt dit argument zelf niet in haar reactie: ook zij lijkt het niet erg te vinden dat chemici zich met invuloefeningen bezighouden, en zich in een ondoordringbaar jargon uitdrukken.

Het is een interessante vraag waarom Van het Reve en Valkenberg zich zo ergeren aan het jargon van de literatuurwetenschap. De reden is, denk ik, dat het gaat om nodeloos jargon. Als je de voorbeelden van Van het Reve en Valkenberg leest, ontkom je niet aan de indruk dat het gebruik van het jargon louter bedoeld is om diepe indruk te maken op de lezer. Dat was trouwens ook de kern van het betoog van de infame Huizinga-lezing van de Karel van het Reve. Dan Sperber noemt dat het ‘Guru Effect’ (Review of Philosophy and Psychology 1(4): 583-592), Gordon Pennycook et al. hebben het over ‘pseudo-profound bullshit’ (Judgment and Decision Making 10(6) (2015): 549-563) en Rolf Dobelli heeft het over de ‘Twaddle Tendency” (Hfst. 57 in The act of thinking clearly, Harper 2013). Dobelli geeft een treffend voorbeeld van Jürgen Habermas, die zonder verpinken zinnen schrijft als: “There is certainly no necessity that this increasingly reflexive transmission of cultural traditions be associated with subject-centered reason and future-oriented historical consciousness. To the extent that we become aware of the intersubjective constitution of freedom, the possessive-individualist illusion of autonomy as self-ownership disintegrates.” Je zou overigens met hetzelfde gemak kunnen citeren uit het werk van Jacques Derrida of Slavoj Žižek. Een discipline die drijft op het goeroe-effect is kwetsbaar voor kaping door charlatans or grappenmakers, zoals de Sokal-affaire in 1996 heeft aangetoond voor de literatuurwetenschap, of de recente Conceptual Penis hoax voor Gender studies.

Dat lijkt me een belangrijke kanttekening bij het betoog van Valkenberg en vooral ook de reactie van Kiekens. Letterkundigen hoeven zich niet uit te drukken in literair proza. Ze hoeven ook niet toegankelijk te schrijven. Anders dan Valkenberg denk ik niet dat “de lat hoger moet liggen” voor literatuurwetenschappers dan voor andere wetenschappers. Dat ze een stappenplan volgen bij de analyse en zich bezighouden met vraagstukken die ze zelf het boeiendst vinden is ook niet de kern van het probleem. Het probleem is een bewust ondoordringbaar gehouden stijl. De maatschappij, inclusief de academische wereld, is steeds allergischer geworden aan dat soort potsierlijke drukdoenerij. Dat is een logisch gevolg van democratisering en geringere gehoorzaamheid aan autoriteit. Net als religieuze secularisering, een schampere houding tegen gezagsdragers in uniform, het loslaten van de standaardtalige norm, het loslaten van titulatuur (professor, edelachtbare …), en dalende verkoop van stropdassen, manchetknopen, handschoenen en lorgnetten, is het afnemende prestige van literair-kritische exploten in vakbladen eigenlijk het gevolg van het ontmaskeren van gezag. Paradoxalerwijze is dat laatste een van de favoriete onderwerpen van de literatuurwetenschappers. Als het hen menens is met het blootleggen van ‘discursieve strategieën’ die gericht zijn op machtsbehoud, doen literatuurwetenschappers er goed aan het gebruik van jargon te beperken tot waar het echt nodig is.

N.B. Voor een goed begrip: ik heb niets tegen literatuurwetenschap an sich. Als historisch taalkundige is de grens met de collega’s van de literaire afdelingen sowieso kleiner, en sommige van mijn collega’s houd ik voor heel grote geleerden: zowel oude erudiete collega’s als Karel Porteman en Frank Willaert, als de wat jongere Geert Claassens of Yves T’Sjoen, van wie je met geen mogelijkheid kunt volhouden dat die zich saai uitdrukken, tot jonge alleskunners als Mike Kestemont. Ik maak met enthousiasme deel uit van een tijdschrift waarin in meerderheid letterkundige artikelen verschijnen (TNTL. Neem een abonnement – geen geld!), en heb vorig jaar een literair-wetenschappelijk stuk gepubliceerd (‘Vogelvrij. Literaire schelmen in de rechtbank’. Oogst 2(1): 21-29). Ook is het zo dat taalkundigen net dezelfde verwijten krijgen, vrij gretig omspringen met jargon, ook zij met lede ogen het afnemende belang van het woord gadeslaan, en ook zij te maken hebben met goeroes. Maar zo bont als sommige sterren van de posthermeneutische traditie wordt het niet vaak gemaakt. Qui se sent morveux, se mouche. Voor de anderen: bied moedig weerstand tegen patserige collega’s.