Ilja Leonard Pfeijffer als cryptogrammaticus

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (8)

Door Marc van Oostendorp

Van alle Idyllen uit Ilja Leonard Pfeijffers gelijknamige bundel uit 2015, wordt de zevende het vaakst geciteerd, ook door de dichter zelf. Hij nam hem, als enige eigen werk, op in zijn recente dikke bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van de 20e en 21e eeuw.

Als ooit een gedicht programmatisch heeft geklonken, dan is het de zevende Idylle:

Geen deconstructies meer, geen cryptogram, geen quiz.
We zullen moeten leren zeggen hoe het is.
Ik heb het zelf in het verleden fout gedaan,
ontwortelaartje dat ik mij daar was. De waan
dat ik de toch al losse schroeven nog meer moest
ontregelen en hoopjes zekerheden woest
moest ondergraven, heeft de zaak geen goed gedaan.

Er zijn mensen die dit gedicht door deze toon inderdaad lezen als een programma. Jeroen van den Heuvel van de geleerde website Oote oote noemde deze regels “met name opvallend omdat Pfeijffer zo’n veertien jaar geleden het essay De mythe van de verstaanbaarheid in Bzzlletin publiceerde.” In dat essay verdedigde Pfeijffer volgens Van den Heuvel de stelling ‘Onbegrijpelijke poëzie is altijd beter dan makkelijke poëzie’. Van den Heuvel: “Maar veertien jaar is een lange tijd en zijn mening is nu duidelijk anders. Pfeijffer is er inmiddels van doordrongen (…) dat mensen ‘aan alles echt behoefte hebben // behalve aan wat zekerheden weg doet ebben.’”

Lampe

Les nummer 1 bij een cursus poëzieanalyse lijkt mij: een gedicht drukt niet noodzakelijkerwijs de mening van de dichter uit. Net zo min als een ‘essay’ met de titel De mythe van de verstaanbaarheid dat overigens doet. Als we één zekerheid niet moeten laten wegebben, dan is het dat literatuur nooit een partijprogramma is waarop iemand mag worden afgerekend.

Voor zover Idylle 7 in tegenspraak is met het veertien jaar eerder verschenen essay, is ze ook in tegenspraak met een lezing die Pfeijffer eerder dit jaar op Poetry International gaf, dus ruim ná het verschijnen van de Idyllen. Hij las daarin (vanaf 37:38) een gedicht van Astrid Lampe voor, en besprak kort de aantrekkingskracht van het ondoordringbare:

Interne logica

Pfeijffer gebruikt in zijn toelichting weliswaar niet het in de Idylle gewraakte woord ontwortelen, maar wel het dicht daarbij in de buurt liggende woord ontregelen. En hij doet dat in prijzende zin.

Zoals hij ook het woord cryptogram gebruikt. In deze lezing doet hij dat overigens wél op een afkeurende manier, door te poneren dat je als lezer niet moet pogen een gedicht als dat van Lampe te begrijpen:

dan ga je proberen het cryptogram op te lossen, het puzzeltje. Dan ga je proberen om het ‘rare gedicht’ te vertalen naar onze wereld die we al kennen. Dat is eigenlijk een foute manier van het gedicht lezen. Niet alleen in het geval van Astrid Lampe, maar eigenlijk altijd. Het gedicht creëert een nieuwe werkelijkheid en een nieuwe logica en je moet het nemen voor wat het is, en als je het niet snapt is dat precies de bedoeling. Je moet je laten meenemen door de interne logica van het gedicht.

Goede vriend

Even later in de lezing gebruikt Pfeijffer nog eens het woord cryptogram, als hij beschrijft hoe hij op school ‘heel verkeerd’ poëzieonderwijs kreeg:

Ik moest altijd het cryptogram oplossen, daar gingen de lessen over. Ik moest dan proberen te zeggen wat de dichter ‘eigenlijk’ bedoelde. Maar dat is belachelijk. (…) Als de dichter ‘eigenlijk’ probeert te zeggen “ja, ik ben ‘eigenlijk’  vreselijk verliefd op dat meisje, maar de bitch wil me niet”, en hij het op een andere manier zegt, zodat wij het weer moeten terugvertalen – dat is geen poëzie, dat is sadisme. (…) Als je jonge mensen poëzie wil laten lezen, moet je dat laten aansluiten bij wat ze toch al de hele dag doen, namelijk liedjes luisteren.

(Merk op dat de spreker zich hier afzet tegen ‘eigenlijk’, een woord dat hij verder in zijn causerie af en toe als stopwoord gebruikt.) In de debuutbundel van de vierkante man staat ook een ironisch ‘soort brief aan een goede vriend’ die cryptogrammaticus wordt genoemd en als volgt toegesproken:

hoe klein je ook prozaïsch puzzelt je zult
mijn laconische stinkbommen
nooit in je blokschema’s vangen

We hebben nu dus op het eerste gezicht twee paradoxen. In een en dezelfde bloemlezing neemt Pfeijffer een gedicht op waarin hij zich afzet tegen zijn vroegere ik als ‘ontwortelaartje’ én een gedicht van Lampe dat hij prijst vanwege het ‘ontregelende’ effect. Bovendien lijkt hij zowel voor als tegen cryptogrammatische gedichten te zijn.

Hoe het is

Die paradox kan op twee manieren worden opgelost. Je kunt zeggen dat de Idylle eigenlijk ook een ‘interne logica’ heeft en dat dit gedicht uitdrukking geeft aan die interne logica; dat de ik in dit gedicht niet samenvalt met Ilja Leonard Pfeijffer, dat het allemaal een retorische oefening is, die hele oproep om te zeggen hoe het werkelijk zit.

Maar in de tweede plaats is het geloof ik niet incoherent om zowel de positie uit de Idylle aan te nemen als het gedicht van Lampe te verdedigen. Ook Lampe zegt immers hoe het is. Ook haar gedicht is immers geen ‘cryptogram’, het is een heel precieze weergave van een reële werkelijkheid, zij het van een die buiten het gangbare discours valt.

Dimensies

Wat dit betreft is er overigens wel een verschil met de mening die in De mythe van de verstaanbaarheid tot uitdrukking wordt gebracht. In dat essay legt Pfeijffer namelijk wel degelijk een eigen gedicht uit, zo van “waar ik zeg ‘je bent als bambi op het ijs’, bedoel ik ‘eigenlijk’ dat ik heel onzeker ben, alleen is dit een beeldrijkere en klankrijkere en daarom preciezere vorm van zeggen”. Daar wekt Pfeijffer op zijn minst de indruk dat hij hetzelfde ook anders had kunnen zeggen, zij het dat het dan minder perfect was.

Die positie is nu verlaten. Ieder gedicht moet heel precies uitdrukken hoe het zit. Alleen heeft de werkelijkheid, heeft het ‘hoe het zit’ heel veel heel verschillende dimensies.