Ilja Leonard Pfeijffer als bouwer van onze woordenschat

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (16)

Door Marc van Oostendorp

Er is in de taalwetenschap al lang discussie over de vraag of woorden wel bestaan.

Ja, mensen schrijven soms spaties, maar correspondeert dat wel met iets reëels in de taal? Met ‘reëel’ bedoelen taalkundigen dan: iets dat van nature in talen is gegroeid en niet het gevolg is van een of andere technologische beslissing. Iets dat bijvoorbeeld op een natuurlijke manier als eenheid in ons hoofd wordt opgeslagen. Kennen analfabeten woorden? Kinderen die hun moedertaal aan het leren zijn? Gebeurt er in onze hersenen iets aantoonbaars bijzonders als we een woord herkennen tijdens het luisteren?

Er zijn redenen genoeg om te twijfelen of woorden wel zo bijzonder zijn. Je zou bijvoorbeeld kunnen stellen dat een verschil tussen woorden en woordgroepen is dat bij woorden de relatie tussen vorm en betekenis volkomen willekeurig is. Dat boom ‘boom’ betekent, volgt niet uit de betekenis van bo en m, want die hebben geen betekenis (oom heeft wel betekenis, maar dat heeft niets met die van boom te maken). De betekenis van de woordgroep ‘die mooie boom’ is niet op dezelfde manier willekeurig: je kunt hem uitrekenen als je de betekenis van die, mooi en boom kent. Die betekenis is ‘compositioneel’, heet dat.

Treitervlogger

Bij nadere beschouwing klopt dat allebei de kanten op niet. De betekenis van woorden als huisdeur en verhuizing is ook tot op zekere hoogte compositioneel, omdat ze iets te maken heeft met de betekenissen van huisdeur, ver en ing, al is die relatie iets minder precies (een huisdeur is niet per se de unieke deur van een huis). Omgekeerd kun je aan de betekenis van het idioom ‘de pijp aan Maarten geven’ rekenen zoveel je wilt, en je komt er niet uit. Toch is het geen woord.

Toch, sinds de Tachtigers weten we in de Nederlandse poëzie: het woord is het domein van de experimentele dichters. Nergens is de dichtheid aan woorden die we niet in het woordenboek vinden zo groot als bij hen. Ook in proza vinden we voortdurend nieuwe woorden (de gemiddelde taalrubriek in de krant of op de radio is er dol op om het woord van de dag of van de week of van het jaar te signaleren, en die woorden moeten ergens vandaan komen), maar dat zijn over het algemeen woorden die een heldere nieuwe betekenis hebben en die als het ware klaar zijn voor algemeen gebruik: bestuursobesitas, plofkip en treitervlogger.

Oetzwans

In het lange gedicht ‘zelfportret in steen’ (in In de naam van de hond) introduceert Ilja Leonard Pfeijffer daarentegen de volgende woorden:

bedrietelde, bellenzoenend, bibbertrutje, bilbroektruitje, doemdonderend, druiloogt, glimbuikje, grijsgeestig, huisvis, kiezelstem, kommerloze, kuseropmeisje, labberbescheten, laplullige, lipdienstige, linzenzemelende, musman, oetzwansen, ontdroomd, ontgrienen, rotsblikkend, rotskoppigheid, snijstem, stomplukkig, tafelendertig, verkaken, vnerveus, volkiezelmondig, voorbeleefd, vrieslier, waanhoper, warmgevormd, wolfskeel, zielzuchtende, zwaanzwemelende, zwartgevroren

Al die woorden zijn uniek voor dit gedicht, al heb ik het woord oetzwans geheimzinnig genoeg precies één keer op internet, kunnen vinden, in een tweet uit 2013:

Is Jesse van der Wilt een liefhebber van het werk van Pfeijffer? Putten twitteraar en dichter uit een zelfde, tot nu toe verborgen gebleven bron? Kan zo’n woord op meer dan een plaats ontstaan?

Kiezelstem

Alle andere woorden lijken mij uniek voor dit gedicht. Wat aan de lijst vooral opvalt is hoeveel werkwoorden en vooral bijvoeglijk naamwoorden erop staan. In het dagelijks leven zijn nieuwe woorden eigenlijk altijd zelfstandig naamwoorden: ga de lijstjes met woorden van het jaar maar na. We benoemen het liefst en vooral nieuwe dingen of begrippen, en niet zozeer nieuwe activiteiten of eigenschappen. Woorden als ontgrienen, bellenzoenend en volkiezelmondig zijn alleen al om deze reden onmiddellijk herkenbaar als poëtisch.

En dat het dan woorden zijn, dat ze gepresenteerd worden tussen twee spaties, draagt bij aan het effect. En dat komt doordat woorden nooit echt helemaal compositioneel zijn, ze krijgen zodra je ze maakt de schijn van een speciale betekenis. Een kiezelstem is niet zomaar een stem die gemaakt is van kiezels, of die doet denken aan kiezels, of die de klank heeft van de grindbak. Anders dan een stem van kiezels of een stem als kiezels, of wat voor woordgroep dan ook, suggereert kiezelstem onmiddellijk dat hier sprake is van één ding, iets dat je nooit helemaal uit elkaar gepeuterd krijgt, omdat die kiezels en die stem nu eenmaal in elkaar gevlochten zijn in de wereld van de dichter.

Update 13:33. Arie Sonneveld wijst erop dat sluiermist en hardgerand ook elders zijn aangetroffen, en dat verlemen zelfs in het WNT staat. Deze drie woorden stonden eerder dus ten onrechte in bovenstaande lijst.