Verdediging van het Nederlands tegen de juristen

Door Marc van Oostendorp

Als de manier waarop prof. mr. drs. F.C.M.A. Michiels in zijn onlangs gehouden afscheidslezing ‘De taal van het bestuursrecht‘ over taal redeneert, representatief is voor zijn vakgebied, ziet het er somber uit voor het bestuursrecht. De ene niet onderbouwde stelling vormt de basis voor de volgende boutade, alsof er geen noodzaak bestaat voor empirisch onderzoek of reflectie, alsof het volstaat om vanaf het katheder zomaar wat te roepen.

Taal is niet zomaar een onderwerpje voor Michiels, zoals de titel van zijn rede al aangeeft. De lezing is er helemaal aan gewijd, en mondt uit in een pleidooi om minder Engels te gebruiken in de wetenschap van het bestuursrecht, maar het begint met een hoofdstukje dat de ‘verslonzing’ van de taal heet.

De term verslonzing is een veroordeling. Je zou dan van een jurist verwachten dat hij probeert enige substantie te geven aan die term. Omdat de term impliceert dat er iets veranderd is in negatieve zin, moet natuurlijk eerst worden aangetoond dat de situatie vroeger anders was. Maar hoewel de hoogleraar – die ook staatsraad is bij de Raad van State – heel stellige beweringen doet zoals ‘De Nederlandse taal valt helaas in toenemende mate ten prooi aan slonzig gebruik ervan’, probeert hij nergens deze stelling te onderbouwen.

Kwaliteitskranten

Instructief is in dit verband ook hoe de alinea verder gaat:

Dit is in het dagelijks leven het geval, maar ook in de weten- schap. Deels gaat het om spelling. Het lijkt veel mensen niet te interesseren. Foutieve spelling is echter vaak de voorbode van ergere taalzonden. Bovendien kan daardoor, alsook door verkeerde interpunctie, de betekenis van een zin anders zijn dan is bedoeld. Het meest stoor ik me evenwel aan de onzintaal die alom, in het dagelijks leven, maar ook in de media, zelfs in kwaliteitskranten, in zakelijke teksten en zelfs op de universiteit wordt gebezigd.

Ook hier weer van die apodictische uitspraken (‘foutieve spelling is vaak de voorbode van ergere taalzonden’) die door geen enkel wetenschappelijk onderzoek worden ondersteund en die Michiels ook zelf helemaal niet probeert te staven, en van die lelijke zinnen die je wel vaker vindt bij mensen die hun geschriften als motto geven ‘Als je verkeerd spelt, ga je ook slordiger denken’. Zoals de laatste met zijn dubbele zelfs, zijn onderscheid tussen ‘kwaliteitskranten’ en ‘zakelijke teksten’, zijn impliciete gedachte dat de universiteit wel de laatste plaats is waar je ‘onzintaal’ zou verwachten.

Belegenheid

Het zijn precies dit soort passages die de taal aanvallen, omdat ze lelijk zijn én wetenschappelijk op alle manieren onzin over die arme taal te berde brengen zonder dat die taal iets terug kan zeggen.

De lezing bestaat verder vooral uit dit soort enorm lelijk en zonder enig taalplezier verwoord gejammer (“Soms word je verrast door schijnbaar verkeerd woordgebruik, dat goed blijkt te zijn, maar waarmee iets anders is uitgedrukt dan je zou verwachten”) en allerlei observaties van de auteur over dingen in de taal waar hij zich aan stoort. De meeste daarvan zouden goed passen in een boekje voor de beginnende taalmopperaar, zaken waar je al tientallen jaren goede sier mee kan maken in kringen van bestuursjuristen die taal ‘ook zo leuk’ vinden. Zo van dat ‘vele’ Nederlanders im Frage en unheimisch zeggen, terwijl dat in het Duits helemaal niet bestaat, of dat mensen het verschil niet meer weten tussen overlegd en overgelegd – het soort kwesties dat J.L. Heldring 25 jaar geleden al niet meer aan de orde durfde te stellen vanwege hun verregaande belegenheid.

Mismoedig

Het vreemde daarbij is dan ook nog dat Michiels dus niet alleen grossiert in rare, kromme zinnen (‘Uitdrukkingen, dames en heren, luiden, correct gehanteerd, niet voor niets zoals ze luiden: ze hebben een relatie met hetgeen ze verbeelden’), maar dat hij zelfs eenvoudig te vermijden spelfouten, die voorboden van ergere zonden, eenvoudigweg in de gedrukte versie van zijn lezing heeft laten staan. Als hij zijn rede wil eindigen, schrijft hij: “Ik wil deze reden eindigen”. (Ik denk dat dit eerste en enige keer in mijn oeuvre is dat ik wil wijzen op zijn spelfout; mij kan het niet schelen, maar als slot van een betoog met deze strekking, heeft het iets zo eigenaardigs.)

Het is om mismoedig van te worden. Kennelijk heeft er tientallen jaren in Tilburg een professor rondgelopen die taal vreselijk belangrijk vond, zonder dat hij het nodig vond om aan zijn eigen stijl te werken of zich enigszins te verdiepen in het onderwerp dat hem zo boeide.  Nooit iets lezen, nergens dieper over nadenken, en dan je afscheidsrede houden – wat een onzintaal, op de universiteit.

Lex Michiels. De taal van het bestuursrecht. Een pleidooi voor onverstaanbaarheid. Amsterdam: Boom juridisch, 2017.