The Toerteltax

Door Marc Kregting

1.

Nu de sociaaldemocratie met haar ‘klein BMW’tje’ zich in de prak rijdt, wordt de vraag: schuiven kiezers op? Het gedachtegoed van Marx mag omgeven blijven door immens wantrouwen en een frase over ‘die laatst overgebleven marxistische professor aan een tweederangsuniversiteit’ kan mikken op herkenning, dezelfde toonaangevende opinist Joris Luyendijk ziet Marx’ veronderstelde gedateerdheid bewegen.

De populariteit van wandeltochten rond het fenomeen groeit.

Kunnen teksten van politici zelf die wending kracht bijzetten? Ik besloot te letten op retorische strategieën in het succesvolle Graailand. Het leven boven onze stand (2016) van PVDA-voorman Peter Mertens. De titel is immers al opzichtig populistisch, terwijl de ondertitel minstens zo hard knipoogt als citaat van de Vlaamse vicepremier.

Inleider Marc Van Ranst positioneert Mertens minder als radicaal dan als redelijk: ‘Ik kies voor de menselijkheid, het mededogen, het respect, de solidariteit en het fatsoen van het gedachtegoed in de boek, zonder enig voorbehoud. There is no alternative, Tina!’ Op de achterflap garandeert deze op de barricaden gesprongen viroloog dat er aan Mertens ‘niets extreems’ is.

Mertens’ vorige titel Hoe durven ze? werd ingeleid door Dimitri Verhulst, een even ongrijpbare als cabareteske auteur met wie hij vermoedelijk hoopte te charmeren en te investeren onder jongeren. Nu Mertens een grimmige maar gerespecteerde wetenschapper naar voren schuift, lijkt er geoogst te moeten worden. Hij brengt zijn boek meer dan ooit als groepswerk, waarvoor de studiedienst van zijn partij terecht wordt bedankt. De voorman als eindredacteur?


2.

Net als zijn tegenpool Geert Wilders profileert Mertens zich als man voor iedereen die niet graait en dus fatsoenlijk is. Dat betekent ook dat hij buiten ‘de elite’ annex ‘het establishment’ staat en toegankelijke taal spreekt. Hij gebruikt wel de term ‘hoppa’ en geen ‘managersblabla’. Eruditie van een Duitse geestverwant buigt hij bij: ‘Ik geloof dat de hele Berlijnse bibliotheek in zijn hoofd woont. Maar nooit loopt hij daarmee te koop. Hij is eenvoudig gekleed, bescheiden, rustig.’

Voor fatsoenlijke overtuigingen moet desgewenst de zwaartekracht wijken. Tegen het gehate trickle-down-idee weet Mertens: ‘Als het al druppelt, dan andersom: van onder naar boven.’ Opstijgend vocht?

Mertens’ voordeel op de sociaaldemocratie moet zijn geloofwaardigheid wezen. Wanneer praatjes immers worden getoetst aan de praktijk, kan hij nooit een graaier zijn en hooguit een tweedehands BMW rijden. Net als parlementariërs van de Socialistische Partij in Nederland accepteren PVDA’ers een sober leven doordat ze een deel van hun loon ter beschikking stellen van de partij.

Andere politici hebben zo altijd een achterstand in fatsoen. Ook zegt Mertens heel goed te begrijpen dat ‘de mensen’ geen voeling met hen hebben en dat het legendarische ‘vertrouwen in de politiek’ tot een minimum gedaald is. Het zijn ook altijd collega’s die ‘adressenboekjes’ hebben. Die dingen blijken handig voor de andere moderne klassieker die ‘draaideurcultuur’ heet. Daarin is een nieuwe goedbetaalde baan makkelijk te krijgen wegens wat ooit minder specifiek ‘belangenverstrengeling’ werd genoemd.

Toch voelt Mertens zich niet altijd begrepen. Zijn discours mag bescheiden zijn, het doel ervan is dat allerminst:

Wie zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt, mag de zeis verwachten. “Populisme”, zingt de zeis, “een inspiratieloze terugkeer naar het verleden”. En net door zulke uitlatingen blijft alles bij het oude. (…) Ik wil dat we de samenleving blijven prikkelen en dat we buiten de platgetreden paden antwoorden vinden. Want werkelijk, de uitdaging is enorm.’

Is er iets zelfvoldaner dan het hoofd dat zich ‘boven het maaiveld’ waant? Iets platgetredener dan het beeld van ‘de platgetreden paden’? En iets neoliberaler dan ‘de uitdaging’? Studiedienst of niet, ook bij deze PVDA blijkt taal een grabbelton.

Om veranderingen te bewerkstelligen onderstreept Mertens het nut van het door de partij bedachte neologisme ‘Turteltaks’. Het fungeert als wapen om te framen. Verder dicht hij ideologische vijanden uit de ‘draaideurcultuur’ voor zichzelf meermaals een ‘flexverslaving’ toe ten opzichte van anderen.

3.

Graailand kant zich tegen het depolitiseren van tegenstellingen. Het vergroot daartoe mensen uit. Mertens citeert uitvoerig uit een debat tussen partijgenoot Dirk Van Duppen en N-VA-krokodil André Gantman. Van de eerste worden clausen voorafgegaan door de aanwijzing ‘(kalm)’, van de tweede door ‘(uitvoerig)’ en ‘(behoorlijk opgewonden)’. Dat ‘Dirk’ feitelijk uitvoeriger blijkt, doet er niet toe. Wel dat de psychologiserende en taalkundig idiote, van ‘(sic)’ voorziene bewoordingen van Gantman ‘typerend voor het mensbeeld van het team-De Wever’ heten.

PVDA-leden worden blijkbaar vaak zo inhumaan bejegend. Daarom zal Mertens Brussels PVDA-parlementslid Youssef Handichi opvoeren als ‘geen beroepspoliticus maar iemand die normaal is gebleven en ja, dat maakt hem net speciaal’. Zo zorgt hij meteen voor distinctie binnen het linkse spectrum, tegenover s.pa en Groen.

Analoog brengt Mertens ongevraagd helderheid in het Noord-Nederlandse veld. De Socialistische Partij geldt als ‘een authentiek linkse partij, niet te verwarren met onze s.pa’. Verderop heet die SP een ‘radicaal linkse’ partij, die zich positief onderscheidt van sociaaldemocratische PvdA’ers als Samson en Dijsselbloem die, ondanks hun ‘taalkundige koerswijziging’ tegenover bankiers en speculanten, gevestigde belangen en EU-austerity dienden.

Aldus is het extra bizar dat bij Mertens tijdens een debat zijn ‘frank’ valt over het fenomeen politiek: ‘Het gaat alleen maar om perceptie’.

4.

Voor klachten en misstanden hanteert het PVDA-team een methode van inzoomen en uitzoomen, waarbij het concrete gevallen op ‘de werkvloer’ verbindt met percentages en diagnoses. Mertens expliciteert die aanpak zelfs: ‘Zo kan ik naadloos een brug slaan tussen professor Andrew McAfee uit Boston en mijn moeder uit Sint-Antonius in de Kempen’.

Dat hier iemand ouderwets eerbiedig met zijn titel wordt aangeduid, rijmt niet met de lefgozerige houding die het boek tegenover allerlei soorten autoriteiten inneemt. Louter voor een gelijk wemelt het veeleer koorknaapachtig van ‘professoren’. Alleen de empirie van wetenschappers blijkt voor de PVDA-studiedienst dermate heilig, dat deze bestseller doordrenkt is van kurkdroge cijfers. Ze staan in dossiers waarin de partij zich zegt ‘vast te bijten’. Haar voorstellen om het betreffende onrecht tegen te gaan, heten vervolgens steevast ‘eenvoudig’. Vandaar vermoedelijk ook de onbesmuikt gebruikte uitroep ‘hoppa’.

Mertens’ overtuigingen zijn onwrikbaar. Dat tussen daartoe opgevoerde bronnen lieden schuilgaan van wie de PVDA niets wil weten, deert kennelijk niet. De dienstdoende mening mag ook van een aristocratische elitarist als Rob Riemen komen.

In de regel kunnen ‘foute’ mensen in Graailand echter nooit iets goed hebben gedaan. Zo zijn er de affreuze mini-jobs in Duitsland, anno 2003 in de steigers gezet door de roodgroene regering Schröder-Fischer: ‘Zij trekken personeelsdirecteur Peter Hartz weg bij Volkswagen. Hartz mag voortaan sjoemelsoftware voor de arbeidsmarkt ontwikkelen.’ Die digitale trucjes bij auto’s werden ontdekt in 2015, meer dan tien jaar later.

Na deze guilt by association herhaalt Mertens zijn legitieme stelling uit Hoe durven ze? dat rood en groen iets vreselijks bedacht hadden. Nu verwijt hij Schröder-Fischer echter dat ze geen academici, vakbonden of mensen van het terrein te hebben geraadpleegd. ‘Maar wel de in allerlei schandalen verwikkelde personeelsdirecteur van Volkswagen, de heer Peter Hartz.’ Dan gaat het om andere onsmakelijkheden, in 2007 leidend tot zijn ontslag, die Mertens niet vermeldt.

5.

De koppigheid van Graailand is een verademing bij het defaitisme dat na de val van de Muur had postgevat. Wel heeft Mertens de wind mee van burgerinitiatieven. Ik las zijn boek toevallig samen met de studie Zaterdagmiddagrevolutie, waarin historicus Maarten van Riel over verzet louter meesmuilend kan doen en amper impliciet de postideologische boodschap brengt dat veranderingen onmogelijk zijn.

Ten overvloede reserveert de onvermijdelijke inleider Maarten van Rossem voor actiegroepen uit de jaren zeventig termen als ‘tragikomisch’, ‘klunzig’, ‘aandoenlijk’, ‘gebroddel’, ‘schertsgezelschap’, ‘halvegaren’, ‘lachwekkend’. Nog een geluk dat hij in het dankwoord als prof.dr. hulde krijgt voor zijn relativerende noten.

Mertens ontplooit een andere, daadkrachtige en hoopvolle praktijk. Als de term ‘tragikomisch’ daarbij al van pas komt, dan voor de parallel met nog een tegenpool, Thierry Baudet, die evenzeer de particratie wil opblazen, bedenkingen heeft bij de EU en die referenda bepleit.

Volgens mij had Mertens met Graailand meerdere doelen. Via inleider Marc Van Ranst wilde hij geïnteresseerden geruststellen over vermeend dictatorialisme bij de PVDA die, net als de SP in Nederland, maoïstische wortels heeft.

Toch barstte na publicatie Bart De Wever uit in smaad. Van Ranst had hem opgenomen in een rijtje perfide nationalisten, met Trump, Orban, Le Pen, Petry, Wilders en Dewinter. Het gros van hen keert aan het slot van Graailand weder tussen politici die ‘nationalisten en identitairen’ zijn, ‘in naam van de ware volksgemeenschap, van de ware religie of van de natie’. Daar zit De Wever niet meer bij.

Na publicatie lag de PVDA meer dan eens onder vuur van liberaal voorvrouw Gwendolyn Rutten. Als ‘Jeanne D’Arc van de arbeidsmarktontregeling’ wordt zij het stringentst bestreden in het boek, dat en passant gangbare ideeën over links-rechtsposities bijstelt. Mertens beschouwt ‘het politiek correcte denken’ als rechts. Volgens hem heeft het als taboe de inkomens van de politieke klasse die daarom moeiteloos de EU-‘dictaten van Brussel’ slikt.

Wegens deze nadruk op sociaaleconomische thema’s ontbreekt het dominante identiteitsvraagstuk in Graailand. Vluchtelingen, allochtonen: net als bij de SP bestaan ze bij de PVDA niet.

En vrouwen? Parlementslid Elke Van den Brandt heet ‘een heel gedreven en toffe dame trouwens’ en ze heeft een ‘even sympathieke groene collega’ Freya Piryns. Hun opvattingen over kinderopvang bestrijdt Mertens, zodat hij zich in de niche profileert. Wel laat hij zijn frameterm uitspreken door een Ierse vrouw: the Toerteltax. Klopt dat? Tourtletax? Toertulteks? In elk geval, zij ‘schatert met een lach die even uitbundig is als haar rode krullen dat zijn’.

Waarschijnlijk is die kleur een pars pro toto voor gedegen socialisme:

Wij hebben vuur nodig, feel-the-Bern, een mobiliserend project dat de wereld opnieuw op haar voeten zet. Dus alsjeblief, naast een sterk ethisch kompas, naast integriteit, naast het werk aan de basis en naast straat-raad-straat heeft nieuw links ook veel meer grinta nodig. Passie, verbetenheid, zeggen waar het op staat. Geen koude soep, maar tomatensoep met ballen.’

Hoe imposant het aantal clichés ook is dat hier voorbijtrekt, misschien heeft de PVDA-studiedienst een taalarbeider nodig. Ik denk dat vegetariërs er toch welkom zijn.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.