O, makkers, ’t pad gaat stijgend

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (133)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Hoe de menschen samengaan in de dagen der jeugd, en waardoor zij scheiden.

Opgetogen gingen de jongelingen
al wier gedachten in hun oogen welden,
eendrachtig, met harten, die niet ontstelden
over de afwijkende zielsverbeeldingen
in de oogen der and’ren, die hen verzelden,
want elks eigene droomen en verwachtingen
hingen tusschen hem en alle and’re dingen
zooals een nevel hangt over de velden.

Zoo ging ‘t, tot waar de weg als kruis zich scheidde.
Toen sprak er een ‘O, makkers, ’t pad gaat stijgend:
nu moed, den bergen toe’. En de and’re ‘ik dacht’
dat ge als wij dien stroom volgen woudt langs weiden.
Toen wendde zich de derde, droef en zwijgend
en eenzaam verdwenen zij in den nacht.

De beroemdste regels van Henriëtte Roland Holst komen waarschijnlijk uit haar vertaling van De internationale, hét socialistische strijdlied:

Makkers, ten laatsten male
tot den strijd ons geschaard!
En d’Internationale
zal morgen heerschen op aard’.

Het woord makkers komt vaker in haar werk voor, en voor zover ik kan zien bijna altijd als aanspreekvorm (in de bundel Sonnetten en verzen in terzinen geschreven staat bijvoorbeeld ook ‘O makkers die in uw sterke verbonden, strijdt tegen d”overmacht van ”t kapitaal, — o vervalt zelf niet tot zijn lage zonden, leert uw gewetens niet spreken zijn taal!’). Ook buiten het werk van Roland Holst is dat dat geloof ik zo, je zegt makkelijk ‘Makkers, laten we gaan’ dan ‘Ik loop op straat met mijn makkers’, al is dat laatste natuurlijk ook niet onmogelijk.

Volgens het Etymologisch Woordenboek komt het woord makker uit dezelfde bron als gemak: het komt uiteindelijk van maken in de betekenis ‘passend maken’. Gemak is een situatie die bij je past, en een makker is iemand die bij je past: net iets minder intiem dan een vriend.

In het uiteindelijke socialisme hoefden de arbeiders elkaar niet snikkend in de armen te vallen, maar ze moesten zich wel bij elkaar op hun gemak voelen. Tegelijkertijd laat het bovenstaande gedicht – een van de meest illusieloze in het oeuvre van Ronald Holst – ook zien waar al dat makkerschap toe leidt: wreed verstoorde illusies. In de ‘dagen der jeugd’ trek je met die makkers op, omdat je je eigen ‘droomen en verwachtingen’ op hen projecteert. Maar zoiets gaat over bij de eerste de beste kruising.

Hoe iemand die zo’n illusieloos gedicht schrijft zich na de dagen der jeugd nog tot zo’n grandioos socialistisch ideaal kon bekeren dat ze haar makkers ten laatste male een oproep kon doen, valt buiten het bestek van deze serie.