Ilja Leonard Pfeijffer als criticus van het onvoltooid deelwoord

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (2)

Door Marc van Oostendorp

Een tijdlang maakte Ilja Leonard Pfeijffer een gimmick van zijn afkeer van het onvoltooid deelwoord. In een bespreking van werk van Adriaan Roland Holst:

Deze verzen herbergen de twee grootste poëtische doodzonden: het tegenwoordig deelwoord en het gedachtestreepje.

Een bespreking van Een nieuw Paaslied van Gerard Reve:

Verder heeft het gedicht iets wat in poëzie ten strengste is verboden: tegenwoordige deelwoorden. Niet alleen ‘denkend’, ‘opbotsend’, ‘schreiend’, ‘neuriënd’, ‘profeterend’ en ‘pogend’, maar ook ‘voortwandelend’ en om het nog erger te maken zelfs ‘al voortwandelend’.

Hans Faverey dan:

Het wemelt van de tegenwoordige deelwoorden, hoewel het gebruik van deze werkwoordsvorm de dichters van hogerhand is verboden. Faverey zet er soms zelfs vier in twee verzen: ‘zingend, dansend, zwijgend, / of iemand verbijtend’. En hij schrikt niet terug voor een uitzonderlijk lelijk participium als ‘nagrinnikend’.”

Wat er dan precies zo erg is aan die arme deelwoorden, heeft de dichter-criticus geloof ik nooit toegelicht.

Driewerf

Met een beetje googelen vind je wel dat would-be-schrijvers elkaar dit verbod als een schrijftip doorgeven:

De schrijver gaat literatuur schrijven en dat zal de lezer weten. Woorden als echter, tevens, nochtans, thans, derhalve, wier en tegenwoordig deelwoord constructies (hierover napeinzend, terugdeinzend voor angstige gedachten) vliegen je om de oren.

Zoals uit de formulering blijkt, gaat het hier om een waarschuwing om overdreven plechtstatig te zijn en vormen te gebruiken die alleen zogeheten ‘schrijftaal’ zijn. Het is enigszins verrassend dat Pfeijffer zich hier iets van uit zou trekken. Vooral in zijn vroege werk lijkt hij nu niet speciaal uit op natuurlijk taalgebruik. Het antwoord wordt al gegeven doordat de criticus-dichter in kwestie zelf in zijn poëzie regelmatig onvoltooid deelwoorden gebruikt, ook nadat hij zijn verbod driewerf had uitgesproken. Bijvoorbeeld uit de bundel Dolores (2002):

zat ik ziedend aan zee te wrokken op een verre keizer

en zint zich smeltend in elkaar

gaf ik gretig wentelend de kost aan twee ogen

woedend hap naar woorden

zij strijkt zich stralend con vibrato op zijn huid

Of in Idyllen (2015):

Je hebt me spartelend aan wal gebracht met touw

De vleermuis die je vreest, krijst wiekend door je dromen

De dag kwam zachtjes tikkend tot bedaren

… lachende gezichten
die dankbaar walsend met een fonkelende wijn
een troost uitbrengen

Onder graeci

Ik zie nog even af van bijvoeglijk gebruik van deelwoorden zoals in ‘onze gijpende gedachten’, want dat lijkt Pfeijffer als criticus niet te bedoelen en dat druipt dan ook van zijn pagina’s af.

Het is ook waar dat Pfeijffer met de vormen die ik hierboven citeer doorgaans een wat plechtstatig effect lijkt na streven, alsof hij de klassieken wil emuleren of imiteren of pasticheren of parodiëren.

Ik vermoed dat het een geintje van onder graeci is. Ik kan me voorstellen dat je als classicus af en toe horendol wordt van de gymnasiasten die participia praesentia vertalen met onvoltooid deelwoorden. Het wemelt in het Grieks en het Latijn van de beknopte bijzinnen en als je die letterlijk overzet krijg je een vreemd effect. Ik neem aan dat kinderen op school krijgen ingestampt dat ze dan andere vormen moeten gebruiken in hun bijzin; echte bijzinnen bijvoorbeeld.

De vraag is dan natuurlijk of je uit dit soort vuistregels voor leraren Grieks een algemene regel moet destilleren vooral als de desbetreffende geleerden zich zelf helemaal niet aan de regel houden. Ik geloof dat eigenlijk niet. Het is dan ook iets van des schrijvers wilde jaren; de aanbeveling verdwijnt in het latere werk.