Hoe Vlaming te zijn?

Door Marc van Oostendorp

Er is, voor een Nederlander, nauwelijks een curieuzer cultuur dan de Vlaamse: zo dichtbij in zoveel verschillende opzichten en tegelijkertijd zo vreemd. Over Engelsen, over Duitsers, over Fransen, over Luxemburgers of Denen wordt in Nederland minder in termen van sjablonen gesproken dan over Vlamingen. (Het enige volk dat nóg onbekender is, zijn de Walen. Over een Waal weet een Nederlander helemaal niets.)

Die sjablonen gelden bijvoorbeeld voor de taal. Vlamingen zouden daar enorm gehecht aan zijn, aan onze gezamelijke taal, veel meer dan Nederlanders die om het minste of geringste bereid zijn deze taal aan de kant te schuiven. Vlamingen daarentegen wonnen het Groot Dictee ieder jaar moeiteloos, totdat de Nederlandse publieke omroep een harteloos einde maakte aan dat taalevenement. Dat tegelijkertijd er momenteel nauwelijks sprake is van enig openbaar taalleven in Vlaanderen – er is geen vereniging van taalliefhebbers, het enige publiekstijdschrift Over taal is onlangs zonder plichtplegingen opgeheven, het enige publieke taaldebat lijkt altijd en alleen maar te gaan over ‘tussentaal’ – past niet in dat plaatje, dus wordt genegeerd. Dat de VRT het Groot Dictee ieder jaar gratis kreeg doorgestuurd door de Nederlandse omroep en er dus nóóit aan meebetaalde, eveneens.

Verwaarlozen

In Nederland wordt inmiddels aan een alternatief voor dat dictee gewerkt, in Vlaanderen kijkt men slechts smartelijk toe. Als je een beetje beter kijkt, houdt de Nederlanders aantoonbaar meer van zijn taal dan de Vlaming. Dat is moeilijk te begrijpen als je alleen in die sjablonen denkt.

Hans Vandevoorde ergerde zich onlangs aan iets wat ik op dit blog schreef over Vlamingen. Hij vond dat uit mijn stukje groot onbegrip sprak en hij raadde me een boekje aan dat hij onlangs zelf uitgaf, met teksten van twee grote intellectuelen van de Vlaamse Beweging, August Vermeylen (1872-1945) en Josef Deleu (1937).

Zoals Vandevoorde zelf in zijn inleiding zegt, zijn beide denkers vooral exponenten van de Vlaamse Beweging als emancipatiebeweging in bredere zin. De taal is niet het enige doel, de afkeer is niet in de eerste plaats tegen het Frans: het ging Vermeylen erom dat ‘de Vlamingen’ een stevige eigen positie krijgen in Europa, dat zij niet langer werden achtergesteld. Zij mochten dan natuurlijk ook best Frans leren en kennis nemen van die cultuur – als maar duidelijk was dat zij hun waarde niet primair aan zulke kennis ontleenden. Deleu, die dit jaar tachtig wordt, kijkt aan de andere kant terug op een tijd waarin dat doel grotendeels bereikt is, maar de Vlamingen hun cultuur, volgens hem, nog steeds verwaarlozen.

Ziften en kiezen

De spanning in die Vlaamse Beweging zit volgens mij in dat begrip cultuur, en met name in de omgang met de taalcultuur. De klassiek Franse opvatting over taal is heel anders dan de manier waarop er, bijvoorbeeld, in Nederland over wordt gedacht. De Franse cultuur valt zo ongeveer samen met de eenheidstaal: wie “goed Frans” spreekt – en daarvoor zijn de normen heel hoog, dat goede Frans is een heel ingewikkelde en voor een groot deel kunstmatige taal die je niet zomaar oppikt – heeft idealiter vanzelfsprekend deel aan de Franse cultuurgemeenschap. Er bestaat een heel sterk idee van een ‘standaardtaal’ als iets dat alle Fransen delen, als ze goed hun best doen. De taal is een cultuurproduct, iets dat door een elite wordt gecreëerd, en het is een onderdeel van ieders beschaving dat hij die taal spreekt; die visie lijkt me uitgevonden in Frankrijk.

Nederlanders zijn niet helemaal ongevoelig voor die gedachte, al is het maar doordat ook Nederland lange tijd op de Franse cultuur gericht is geweest. Tegelijkertijd is het Nederlandse idee over taal ook altijd biologischer geweest, als iets dat behoort tot het individu en dat leeft: ‘Ik leg my toe op ’t schryven van levend Hollands. Maar ik heb schoolgegaan’ schreef Multatuli, lange tijd beschouwd als de belangrijkste Nederlandse schrijver. En:

Een individu leert veelal zyn taal van ’n schoolmeester, dat jammer genoeg is. Maar schoolmeesters moeten de taal niet maken. Zyzelf behoren die te leren van ’t Volk dat die taal spreekt en schryft. En weer moeten de schoolmeesters niet alles goedvinden wat dat Volk schryft en spreekt. Zy moeten ziften en kiezen, dat is: ze moeten geen schoolmeesters zyn

Broeders

Er is dus veel meer een band tussen taal en volk dan tussen taal en cultuur. Het gaat minder om beschaving dan om contact te houden met het volk.

De Vlaamse Beweging heeft natuurlijk Guido Gezelle gehad die soortgelijke beweringen deed als Multatuli, maar daardoor altijd in een spagaat gezeten tussen deze twee ideeën: ze wilde iets tegenover het Frans stellen dat gelijkwaardig was; een taal die een even zuiver cultuurproduct was. Vermeylen en Deleu zijn zelfs allebei vrij uitgesproken vertegenwoordigers van dit ‘Franse’ idee van de Vlaamse identiteit: het hoort bij uitstek een kwestie van beschaving te zijn, veel meer dan van geboorte. Dit lijkt me ook de reden om vervolgens een Taalunie te verlangen met ‘onze Noord-Nederlandse broeders’, zoals Deleu dat in de hier opgenomen opstellen een paar keer noemt. Je hebt een massa nodig om een stevige cultuur neer te kunnen zetten, en daarvoor zijn de broeders over en weer nodig.

Minder Frans

Zolang je echter die broedermetafoor niet al te serieus wil nemen en niet gelooft aan een Groot Nederlands volk, is dat streven in strijd met die andere, meer Nederlandse opvatting van taal, als iets dat juist voort komt borrelen uit dat volk. Als je daarin gelooft, en je meent dat Vlamingen een apart volk zijn, dan kun je maar beter proberen ‘Vlaams’ te spreken. En als je daar zelf niet in gelooft, heb je het probleem dat je een taal tot je cultuurtaal probeert te maken, het Nederlands, die je veronderstelde taalgenoten, de Nederlanders, allang niet meer op zo’n Franse manier als een cultuurtaal beschouwen.

Deleu klaagt in de hier opgenomen opstellen ook over de achteloosheid waarmee de Vlamingen, met al hun economisch succes inmiddels omgaan met hun cultuur. Je zou kunnen zeggen dat ze daarmee minder Frans worden, zoals de Fransen zelf trouwens ook minder ‘Frans’ worden in hun taalopvatting. Als vervolgens ook het idee dat er een ‘volk’ is dat de taal draagt, wegvalt, kun je voorspellen dat de eenheidstaal helemaal verdwijnt. Dat zouden we de komende decennia best eens zien gebeuren – discussies over ‘tussentaal’ of niet.