Gedicht: Jacobus Bellamy – De drie bevalligheden

De drie bevalligheden*

Is Aglaïa deftig*, schitt’rend,
Is haar schoonheid meer dan schoonheid;
Even als de grootsche luister
Van een’ held’ren nacht des winters:

Kwijnt in Euphrosine’s oogen
’t Vuur der zagte, ted’re liefde;
Teekent heur bevallig wezen
Niets dan tederheid en liefde:

Is Thalia frisch en jeugdig,
Even als een lenteroosje;
Lagcht zij even als de hemel
Op een’ schoonen lentemorgen:

Al die schoonheid is, in Fillis,
Door Natuur, te saam verëenigd.

Deftig, schitt’rend als Aglaïa,
Zagt en teêr als Euphrosine,
Frisch en jeugdig als Thalia,
Dus is mijn bevallig meisje.

Jacobus Bellamy (1757-1786)
uit: Gezangen mijner jeugd (1782)

* De drie bevalligheden of de drie Gratiën waren Aglaia (‘de schitterende’), Euphrosyne (‘de vreugde schenkende’) en Thalia (‘de bloeiende’), allen dochters van Zeus. Voor de rococo-kunstenaars gelden zij als de incarnatie van de verheven bevalligheid.

* deftig: statig-sierlijk