“Ze is van mijn leeftijd. Ik ben alleen iets ouder”, zei Theodor Holman

Er zijn audities voor ons managementhorrorfeuilleton De verleden tijd van lijken.

Door Marc van Oostendorp

Het valt nog niet mee om bekende neerlandici te engageren voor de doorstart van De verleden tijd van lijken. Ze zeggen allemaal dat ze het een grote eer vinden, en sommigen – Frits Abrahams, Renske Leijten, Thomas Heerma van Voss – zijn ook bij me langsgekomen om hier aan mijn gezellige vergadertafel een mok espresso te komen drinken – ik heb er wat plantjes op staan en wat dummies van toekomstige uitgaven van De verleden tijd op gelegd voor de gezelligheid –, maar nader tot elkaar kwamen we niet. Sommigen (Brigitte Kaandorp) wilden niet eens komen; anderen (Matthijs van Nieuwkerk) namen zelfs de telefoon niet op. Het leukst zouden natuurlijk jonge vrouwen zijn, maar die zijn allemaal te druk bezig met hun schrijverscarrière.

Uiteindelijk had van degenen die ik belde alleen Theodor Holman interesse. “Natuurlijk kan ik een paar keer een gastrol komen vervullen!” riep hij geestdriftig. “Ik zou bijvoorbeeld jullie gastschrijver kunnen worden. En dat ik dan een affaire krijg met die boomlange promovenda, hoe heet ze ook alweer.” Ik draaide mijn mok voorzichtig om. “Ze is van mijn leeftijd. Alleen ben ik iets ouder. Zou Gerard Reve zeggen,” hielp Holman. Ik nieste.

“Ah! Ik begrijp het al!” riep hij. “Dat is natuurlijk te clichématig, he. Oude bok, jong blaadje. Vroeger zou je er ironie van kunnen maken, maar dat mag niet meer.”

“Meneer Holman,” zei ik. “Ik dacht toch meer aan een cameo. Dat u voorlopig alleen even tussen neus en lippen genoemd wordt. Zo van: ‘Die hele middag zag de enigszins saaie vakdidacticus Gerard filmpjes te kijken van een discussieprogramma dat vanuit de Amsterdamse bibliotheek werd uitgezonden.’ Voor een grotere bijdrage kunnen we dan altijd nog zien wat we doen.”

“Maar dan wordt mijn naam niet eens in genoemd!”, siste Holman woedend. “Wat heb ik daar dan aan!” Hij stond op. “U zou een sollicitatiegesprek bij me kunnen houden,” suggereerde ik nog sussend. “Dan noem ik wel uw naam, en mag u van mij ook over uw vriendschap met Gerard vertellen.”

Even aarzelde hij, maar de woede won het toch. “Bekijk het maar met je pokkemanagers!” schreeuwde hij.

Vandaar dat nu alleen René Appel nog over is. Ik heb hem gisteren gebeld om te vragen of hij hier niet een paar lezingen kon komen geven over het schrijven van literaire thrillers. Dat geeft natuurlijk ook meteen een aardig Droste-effect; misschien weet hij in zo’n lezing nog een leuk grapje te maken over hoe een verhaal natuurlijk automatisch een thriller wordt als er maar genoeg managers aan meedoen.

En anders is misschien Arnoud Kuijpers nog wat?