Thomas Vaessens: Vijfentwintig jaar is een eeuwigheid

Door Thomas Vaessens

Als we praten over de toekomst van de neerlandistiek, hebben we het over de toekomst van een opleiding. Een discipline is de neerlandistiek beslist óók geweest, maar het is de vraag hoeveel mensen ‘het vak’ vandaag nog als een discipline zien. Vroeger, in de tijd van de nationale filologieën, spraken we over letterkunde en taalkunde als ‘vertakkingen’ van de neerlandistieke stam. Nu is het veeleer zo dat de verschillende ‘neerlandici’ zich hebben verspreid over het hele bos. Al decennialang zijn sommige van de interessantste neerlandici werkzaam (en ook institutioneel ingebed) in andere velden: gender, media, postkolonial studies, erfgoed… Ook werken er her en der door hun collega’s zeer gewaardeerde mensen ‘bij neerlandistiek’ die binnen andere disciplines zijn opgeleid.

Maar discipline of niet, de opleiding Nederlandse taal en cultuur is er nog steeds. Ik zal het dus over die opleiding hebben, en dan vooral (zoals aan mijn voorbeelden al te merken was) de cultuurkant ervan.

Het zou van onverantwoord struisvogelgedrag getuigen om te ontkennen dat het met de opleiding niet goed gaat. De instroom van nieuwe studenten loopt terug, niet de laatste jaren, maar eigenlijk al sinds de vroege jaren 1980. Toen ik in Utrecht Nederlands ging studeren, in 1986, vond men het daar zorgelijk dat het aantal eerstejaars dat jaar voor het eerst onder de 200 was gezakt. Als ik zeg dat die instroom inmiddels (niet alleen in Utrecht) zo ongeveer is gedecimeerd, dan klinkt dat als een retorische overdrijving. Maar dat valt helaas reuze mee.

Toen we opleidingen als Italiaans, Scandinavisch, Russisch, Roemeens en Duits ‘de kleine talen’ gingen noemen, hadden de meeste van die opleidingen nog een grotere jaarlijkse instroom dan de opleidingen Nederlandse taal en cultuur van vandaag. Het nachtmerriescenario voor de toekomstige Neerlandistiek heeft zich inmiddels voor onze ogen bij die kleine talen afgespeeld. Generaties van opleidingsteams weigerden écht te gaan samenwerken, en hun besturen kregen niet de ruimte het af te dwingen, waardoor elk krimpend clubje op zichzelf bleef bestaan. De staven werden kleiner en kleiner, de curricula raakten steeds verder verdund. Niemand heeft de pijn van de strategische keuzes willen dragen, met als gevolg dat we nu op allerlei plekken in Nederland ongeveer gelijkluidende uitgeklede programma’s draaien, die weinig studenten trekken. De angst om met dingen te stoppen, heeft de potentiële groeikernen geen kans gegeven. We hebben (met alle goede bedoelingen van behoud) sterfhuisconstructies gecreëerd. Nergens is ruimte voor specialisatie, onderscheiding en groei ontstaan. Pas nu er echt opleidingen (of wat ervan over is) dreigen om te vallen, komt er hier en daar enige creativiteit los. De vraag is of het niet te laat is.

De voor ons cruciale vraag is: laten we het met de opleiding Neerlandistiek ook zo ver komen?

Ook wij moeten, als we eerlijk zijn, de verdunning van onze programma’s vrezen. Ook wij maken liever geen keuzes. Om het bij een letterkunde-voorbeeld te houden: is het écht nodig om overal te streven naar een maximale ‘dekking’ van de verschillende periodes in de literatuur? Moet een opleiding Nederlands in een faculteit die bijvoorbeeld breed excelleert in onderzoek naar de zeventiende eeuw, echt ook mediëvistisch georiënteerde vakken aanbieden? Is het niet verstandiger om in zo’n geval ervoor te kiezen de studenten iets echt goed te laten doen, in plaats van een paar dingen een beetje, en ze voor de mediëvistiek naar de buurman te sturen? Ik denk dat we dat aan die studenten verschuldigd zijn, willen we ze competitief maken, op de arbeidsmarkt of voor selectieve MA-trajecten. Maar we doen dit veel te weinig. In plaats daarvan verdunnen we de paar modules van het kerncurriculum waarop we bij de huidige studentenaantallen nog aanspraak kunnen maken met specialismen waarin we niet toonaangevend kunnen zijn.

Dit is een voorbeeld van inhoudelijke of thematische verdunning. Persoonlijk zit mij het risico van theoretisch verdunning nog hoger. Ik heb de afgelopen vijfentwintig jaar vaak ten onrechte patronen en wetmatigheden menen te zien, maar er is één wetmatigheid die volgens mij onontkoombaar is in de letterkunde: een opleiding onder druk neigt ernaar het conservatisme van zijn meest ouderwetse docenten te honoreren. Alle ‘nieuwerwetsigheid’ mag sneuvelen, als maar overeind blijft wat in de goede oude tijd van vóór het (post)structuralisme de humanistische taak van de literatuurwetenschap was: cultuuroverdracht. Krimpende opleidingen Nederlandse taal en cultuur hebben de neiging zich terug te trekken op een vleugje canon, en een tikkeltje algemeen-literaire ontwikkeling. Het gevaar dat dreigt, is dat van de wikipedia-isering van het literatuurgeschiedenisonderwijs: basale cultuuroverdracht dreigt het te winnen van het aanleren van literatuurwetenschappelijke en historisch-analytische vaardigheden. Ik weet best dat studenten liever ‘gewoon iets van Couperus lezen’ dan dat ze leren begrijpen waarom hij vandaag anders gelezen wordt dan in de jaren 1950, maar we moeten ze daarin denk ik toch geen gelijk geven. We zijn niet het PR-bureau van de literatuur.

Optimisme is een plicht waaraan niemand met verantwoordelijkheidsgevoel zich mag onttrekken. We moeten dus de toekomst van de neerlandistiek ook met optimisme tegemoet treden. Optimisme is in de eerste plaats gerechtvaardigd als het gaat om de toekomst van de Neerlandistiek in de diaspora. Mensen met een opleiding Nederlandse taal en cultuur zijn van oudsher bij uitstek in staat een rol te spelen in allerlei interdisciplinaire samenwerkingen, en dat zal ook in de toekomst zo zijn. Het is dan zaak dat we onze kennis en vaardigheden inbedden in bredere verbanden – verbanden die de meest getalenteerde en gemotiveerde studenten trekken. Aan mijn universiteit krijgen de taalkundigen in dit opzicht bemoedigende signalen. Zij brengen een deel van hun bijdrage aan de opleiding Nederlandse taal en cultuur óók onder in een nieuwe opleiding, Cognition, Language and Communication geheten. Nog voordat het programma af is, hebben zich voor volgend jaar al méér studenten ingetekend dan voor Nederlandse taal en cultuur. Studenten met een ander middelbare schoolprofiel dan C&M.

Is er ook toekomst is voor de ‘thuisbasis’ van de opleiding Nederlandse taal en cultuur? Bestaat die opleiding over 25 jaar nog? Dat zal er in hoge mate ervan afhangen of we bereid en in staat zijn ons van het juk van de 19e-eeuwse traditie te bevrijden. En van onze strategieën om de verdunning tegen te gaan.

Zelf droom ik weleens van het volgende. Als we nu eens in kaart brengen wie we de afgelopen decennia hebben zien vertrekken. En wát we hebben zien vertrekken. Waarom hebben we ooit een theaterwetenschap náást neerlandistiek laten ontstaan? Waarom hebben we de film en later de tv en de games aan mediastudies gelaten? Waarom groeien de erfgoedstudies in Nederland als kool, terwijl ze met ónze analysemethodes naar ónze objecten kijken? Kunnen wij, opportunistisch gebruik makend van de huidige rugwind (de herinneringscultus, de identiteitspaniek, erfgoedindustrie, het neo-nationalisme…) en comfortabel leunend op onze eerbiedwaardige geschiedenis, al die dingen niet eens samenbrengen op één of hooguit twee podia?

Ik droom verder. Wie de indruk wekt klein te durven zijn, wordt groot. Dus: selectie aan de poort. Alleen de beste studenten (er is geen betere reclame). Vooraf gegarandeerde stages bij die instituties op het gebied van erfgoed, cultuur en geschiedenis waar wél geld en banen zitten. Gastseminars van mensen die door twintigjarigen als rolmodel worden gezien. De beste docenten. Nee, in zo’n opleiding kan niet iedereen zijn geurvlag uitzetten, maar we trekken er wél een studentenaantal mee dat rechtvaardigt dat we weer eens over de toekomst kunnen nadenken zonder dat we alleen maar bezig zijn met het behoud van wat toch wel verloren gaat.