Taal en haar functie

Door Lucas Seuren

Recent werd ik gewezen op een blogje van de Schotse taalkundige Geoffrey Pullum waarin hij probeert duidelijk te maken dat er een onderscheid is tussen de structuur van taal en de functie van taal. Pullum legt uit dat veel grammaticaboeken geen adequaat onderscheid maken tussen syntaxis en semantiek, en daardoor verwarring zaaien over termen als beweringen vis-a-vis declarativen en vragen vis-a-vis interrogatieven. Bij de eerste termen gaat het om taalhandelingen, bij de tweede om taalstructuren.

Pullum legt het probleem helder uit, en hij laat goed zien wat het verschil is tussen grammaticale zinstypen en de taalhandelingen waar die zinstypen normaliter voor worden gebruikt. Zo benoemt hij de vier zinstypen van het Engels, legt uit hoe ze gevormd worden, en beschrijft de handelingen die sprekers er veelal mee doen.

Maar ook Pullum slaagt niet volledig in een onderscheid maken tussen vorm en functie. Ten dele is dat te verklaren vanuit zijn Engelse benadering van het probleem: de grammatica van het Engels is nu eenmaal niet bepaald universeel van toepassing. Maar daarnaast is het ook simpelweg een terminologisch probleem.

Zo maakt Pullum een onderscheid tussen de vier zinstypen: declaratieven, interrogatieven, imperatieven, en exclamatieven. Binnen de interrogatieven noemt hij vervolgens de gesloten interrogatieven en de open interrogatieven. Maar er is geen structurele reden om die twee zinstypen als subtype van één overkoepelende categorie te benaderen. Met andere woorden, door ze te benoemen als subtypen suggereert Pullum dat ze qua vorm sterk overeenkomen, een suggestie die maar half klopt, en dan ook alleen in het Engels. Daarnaast is de terminologie open en gesloten ook functioneel in plaats van structureel. Het is een onderscheid dat uitgaat van de prototypische functie van de zinnen, niet hun vorm.

Subtypen

Laat ik beginnen met waarom het gek is om ze als subtypen te benaderen. In het Engels worden bij zowel de gesloten als de open interrogatief het onderwerp en het finiete werkwoord omgewisseld ten opzichte van de declaratief: de persoonsvorm komt voor het subject:

Gesloten interrogatief: Was he polite?
Open interrogatief: How polite was he?

Omdat die omwisseling alleen optreedt bij deze twee zinstypen valt er natuurlijk wat voor te zeggen om ze als subtypen van een overkoepelende categorie te zien. Er zijn twee bezwaren tegen dit onderscheid. Ten eerste hoeven het subject en de persoonsvorm niet omgewisseld te worden:

He was how polite?

Hier staat het vraagwoord how in het midden van de zin en komt het subject voor de persoonsvorm. Dat is overigens een normale positie voor het vraagwoord in veel talen: in de World Atlas of Languages stelt Matthew Dryer dat van de 902 bestudeerde talen bij 615 het vraagwoord standaard middenin de zin staat. Die volgorde is natuurlijk bijzonder voor het Engels, maar daarmee mag deze niet genegeerd worden.

Ten tweede is de omdraaiing van persoonsvorm en subject niet afdoende bij veel andere talen om een gesloten interrogatief te maken. Het Nederlands is hier een goed voorbeeld van. Net als in het Engels komt bij gesloten interrogatieven de persoonsvorm voor het subject, maar met omdraaiing alleen is een zin nog geen interrogatief:

Gisteren was hij heel beleefd.

In deze zin staat het subject hij achter de persoonsvorm was, maar omdat het bijwoord gisteren vooraan de zin staat, zien we de zin toch als declaratief. De omdraaiing van persoonsvorm en subject die door Pullum als structureel kenmerk van interrogatieven wordt gezien, is dus geen goed criterium om gesloten interrogatieven en open interrogatieven als subtypen te benaderen van een overkoepelend zinstype.

Vorm vis-a-vis functie

Het tweede probleem dat ik aanstipte is dat het onderscheid sterk verweven is met de prototypische functie van de zinstypen. Pullum benoemt dit expliciet: interrogatieven worden gebruikt om vragen te stellen. Daar twijfel ik absoluut niet aan, maar dat is natuurlijk geen grammaticaal kenmerk, het is een handelingskenmerk. Termen als gesloten en open gaan niet over de woordvolgorde van de zin, maar het soort antwoord dat gegeven kan worden: een gesloten interrogatief wordt vaak gebruikt voor ja/nee-vragen, en een open interrogatief voor inhoudsvragen.

Pullum zorgt dus zelf voor meer verwarring dan hij oplost. Bovendien geeft hij een zeer onbevredigende uitleg van hoe zinstypen gebruikt worden door sprekers van de taal. Zo stelt hij dat declaratieven als vraag kunnen functioneren door een juiste combinatie van letterlijke betekenis en pragmatische implicaties. Hij geeft als voorbeelden zinnen als

I want to know your name
I’m asking you to tell me your name

Maar dit zijn enorm ongebruikelijke voorbeelden. Mensen zeggen zelden zo expliciet wat ze van hun gesprekspartner willen. In ruim drie jaar promotieonderzoek naar declaratieve vragen ben ik zinnen als de eerste nooit in de praktijk tegengekomen. De tweede categorie bestaat, maar is heel zeldzaam en mensen gebruiken die alleen in situaties waar een misverstand moet worden opgelost. Dat wil zeggen, waar de gesprekspartner niet door heeft dat een vraag is gesteld. In de praktijk zien we vooral vragen als deze:

Maar je komt dus dit weekend niet thuis?
En Sara wist het ook niet?

Dit zijn gewoon declaratieve zinnen die desalniettemin als vraag worden gebruikt. De spreker drukt geen wens uit en geeft evenmin aan wat voor handeling het is. Het laatste criterium dat Pullum benoemt ontberen ze ook: ze hebben geen stijgende intonatie. Sterker nog, in een opkomend artikel in Research on Language and Social Interaction laten mijn co-promotor en ik zien dat die stijgende intonatie slechts bij 20% van de declaratieve vragen gebruikt wordt.

Strenger

Het punt dat Pullum maakt is ondanks al deze bezwaren natuurlijk een valide punt: we moeten consequent onderscheid maken tussen de structuur van taal en de functie van taal. Maar Pullum zelf is daarbij nog niet streng genoeg. Dat lijkt te komen doordat hij niet genoeg heeft gekeken naar taalgebruik, maar uitgaat van een soort intuïtieve notie van hoe taal functioneert. Willen we echt succesvol zijn in ons onderscheid tussen de structuur van taal en de functies van taal, dan moeten we voor die functies kijken naar wat mensen daadwerkelijk doen, niet naar wat we denken dat ze logischerwijs zouden doen. Want anders blijven we in een cirkel zitten waarin we inherent vorm en functie door elkaar halen.