Met Vondel naar Peking

Door Ton Harmsen

Zoals in Neerlandistiek.nl eerder deze week is aangekondigd speelt Theater Kwast op 2 juli in het Frans Halsmuseum Vondels laatste tragedie, Zungchin. Doe geen moeite om kaarten te krijgen, de voorstelling is al lang uitverkocht. Alles wat hij in 80 jaar had verworven aan poëzie, epiek (Vergilius), lyriek (Horatius) en dramatiek (Sophocles) balt Vondel in een ultieme krachtsinspanning samen in dit duistere meesterwerk. Met zijn onheilspellende nachtelijke uitstraling is Zungchin een fascinerend kunstwerk. Vondel beziet de gebeurtenissen in Peking vanuit de ogen van de katholieke missionarissen. Hij had contact met jezuïeten die de gebeurtenissen rond de missie op de voet volgden, en in Amsterdam verscheen in die jaren een aantal belangrijke publicaties over de actuele toestand in China.

De catalogus van de tentoonstelling in het Frans Halsmuseum, Barbaren & wijsgeren; het beeld van China in de Gouden Eeuw, onder redactie van Thijs Wetsteijn en Menno Jonker, geeft weer hoe goed men in Amsterdam geïnformeerd was. In 1665 verscheen een grote informatiebron: Het gezandtschap der Neêrlandtsche Oost-Indische Compagnie, aan den grooten Tartarischen Cham. In dat boek beschrijft Joan Nieuhof de diplomatieke reis van VOC-ambtenaren naar Peking, tien jaar eerder. Nieuhof maakte deze reis mee, en onderweg noteerde hij alles wat hij kon vinden over de geschiedenis, de bevolking en het landschap. Hij maakte honderden tekeningen. De originele tekeningen, nu in Parijs, zijn in 1984 teruggevonden door Leonard Blussé. De 150 illustraties in het boek zijn aangepast aan de smaak van Amsterdam. Nieuhof tekende zonder veel artistieke pretentie bergen, pagodes, schepen en ambachtslieden; met geavanceerde graveertechniek werden die gecombineerd tot dramatische composities. In de Haarlemse catalogus staat een essay door Jing Sun, die op dit onderwerp promoveerde (Leiden 2013). Zij laat zien hoe vier eenvoudige tekeningen, door wat wegen en palmbomen toe te voegen, tot één compositie werden geassembleerd. Het beeld dat men van China kreeg was niet erg realistisch maar wel dramatisch en voor de literatuur geldt precies hetzelfde.

Nieuhofs boek bracht twee Amsterdamse dichters ertoe een tragedie te schrijven over de revolutie die in 1644 aan het keizerlijk hof te Peking plaatsvond. Joost van den Vondels Zungchin (1667) gaat over de ondergang van Chongzhen, de laatste keizer van de Ming-dynastie. Minder bekend is de tragedie Trazil (geschreven rond 1666, postuum gepubliceerd in 1685) van Joannes Antonides van der Goes (1647-1684), zestig jaar jonger dan Vondel maar evenzeer gegrepen door de Chinese geschiedenis. Trazil behandelt een iets latere episode, als de rebel Trazil die keizer Chongzhen had onttroond zelf uit de weg wordt geruimd door het leger van Shunzhi, de eerste keizer van de Qing-dynastie. Dit werk haalt het niet bij de kwaliteit van Vondel, maar het is interessant om de gedachten die Van der Goes erin uitwerkt.

Deze dichters hadden onafhankelijk van elkaar het plan opgevat de ondergang van de Ming-dynastie te beschrijven, maar het duurde niet lang voor ze elkaar tegenkwamen. In de biografie van Vondel die Geeraerdt Brandt in 1682 publiceerde staat hierover een vermakelijke anecdote:

Ook heeft men hem den Predikant Joannes Vollenhove, en Johannes Antonides van der Goes, die hem in styl allermeest geleeken, zeer hooren pryzen. Van Antonides weet men in ’t bysonder met wat hoogen toon hy op den lof van zynen Ystroom draafde; dat hy hem gemeenlyk zyn’ zoon noemde, en een tedre ja genoeghsaam vaderlyke genegentheit toedragende, veel gemeenschaps met hem hieldt, hoewel hy noch jong van jaaren was. Hier toe gaf het treurspel van Zungchin d’eerste aanleiding. Vondel hier meê bezigh, verstondt dat Antonides de zelve treurstof onder handen hadde, ging hem hier op bezoeken, las zyn werk, en ziende dat de Keizer in ’t begin dees taal voerde,

.        Wie plantte in Tartarye een bosch van veltstandaarden,

zeide strax, Ik zal, om den jongen Dichter aan te moedigen, deeze spreekwyze ontleenen, en in myn treurspel gebruiken: gelijk hy deede met deeze woorden der Priesteren, in den rey, na ’t eerste bedrijf, noch te lezen,

.        De vyandt magh vry bosschen planten
.        Van veltstandaarden.

.            (Brandt, Het leven van Vondel. 1682, p. 80-81;
.            zie Trazil vs. 21 en Zungchin vs. 141-142)

Vondel bestudeerde de jezuïetenliteratuur over China grondig, maar ook Van der Goes kende uit Nieuhof de Chinese steden, rivieren en provincies, en de namen van de Chinese keizers en hovelingen. Men was in Nederland op de hoogte van de Chinese ambtenarij, de manier van oorlogsvoeren en van de Chinese economie, en men was goed bekend met de aanvankelijk gunstige resultaten van de katholieke missie in China.

Hoewel Vondel zijn waardering voor de veel jongere Antonides van der Goes uitsprak, zijn hun uitgangspunten en ideeën volstrekt verschillend. Antonides van der Goes is nog geen twintig jaar oud als hij Trazil schrijft. Hij heeft nog geen volwassen levensvisie, maar hij zoekt wel nieuwe wegen. Hij bezocht de Latijnse school van Franciscus van den Ende, waar ook Spinoza Latijnse les volgde. Antonides van der Goes is in 1669 de jongste van de oprichters van Nil Volentibus Arduum, het kunstgenootschap dat in Nederland het Frans klassicisme introduceerde. Verscheidene leden van dit genootschap (Lodewijk Meyer en Joannes Bouwmeester) waren vertrouwelingen van Spinoza. In hun geschriften zijn cartesiaanse en spinozistische elementen aan te wijzen. Ook al vertrok Antonides van der Goes na korte tijd met ruzie uit het kunstgenootschap, toch is zeker dat deze moderne filosofie hem heeft aangesproken. In ieder geval schrijft Vondel in 1674, wanneer Antonides van der Goes in Utrecht in de medicijnen promoveert, dat hij cartesiaanse ideeën hanteert: ‘De geest van Kartes leeft nu in zijn element.’ Cartesiaans gedachtengoed met betrekking tot de hartstochten die in de tragedie moeten worden uitgebeeld is ook een belangrijk onderdeel van de literaire theorie van Nil Volentibus Arduum.

Antonides van der Goes schetst geen zeer realistisch beeld van de Chinese gebeurtenissen. Dit zou ook niet passen volgens de theorie van de tragedie, die voorschrijft dat er verzonnen, niet-realistische stof moet worden uitgebeeld, of zaken die in een ver verleden plaats hebben gevonden. In Trazil gaat het dan ook vooral over de machtsstrijd, in de politiek en in de liefde. Hij laat Europese missionarissen (Ignatius en Urbaen geheten) optreden naast Tartaarse priesters. Zij belichamen het heftige conflict tussen Europa en China, tussen christendom en confucianisme. De Chinese priesters tonen zich afkerig van oorlog en liefde: ‘’t Geen d’een om d’eere waegt, // Doet d’andere om een maegt’ (Trazil, vs. 797-798). De christelijke priesters, die door de Chinezen gevangen genomen zijn, tonen zich bereid te sterven voor hun missie: de christenvlag te planten. Zij krijgen de wind van voren van de Chinese aartspriester, die hun optreden verdacht vindt op grond van de confuciaanse leer:

.        Gy komt om Sina, door vervloekte tempelhaet
.        En priesternijt gescheurt, te knoopen met verraet
.        Aen uwe koningskroon, betooverende onze oogen;
.        Maer ’t gulde masker is uw schijndeugt afgetoogen.
.        Konfutius leerde ons wat Godsdienst schorse al dekt.
.        Konfutius, die van de goden opgewekt,
.        En van een hemelvuur ontstoken: zonder missen,
.        Een landorakel strekte in staetgeheimenissen;
.        Die Goddelijke man voorspelde ons uwen aert:
.        Want, die zoo verre zeen en landen overvaert,
.        Zoo veel gevaren peilt, en eindelijk zijn leven
.        Durft in de handen van verwoede krijgslie geven,
.        Bezeilt een andre hoek, al zwijgt hy, in ’t verstant,
.        De Godsdienst is den mensch zoo diep niet ingeplant.
.        .                                               (Trazil, vs. 865-878)

Het standpunt is duidelijk: de wereld veroveren met godsdienst is tegen de menselijke beschaving en een inbreuk op de menselijke vrijheid. Antonides van der Goes geeft het Chinese standpunt veel meer ruimte en argumenten dan dat van de missiepaters, die moeten toegeven dat de christianisering van Zuid-Amerika met veel bloedvergieten gepaard ging. Zij hebben geen antwoord op het verwijt van de Chinese aartspriester, die de katholieke missie in Latijns Amerika veroordeelt:

.                        […] Montezume, ô Vorst der Mexikanen,
.        En gy Qualittinu voer hier uw Indianen
.        Met heele legers aen. kom Attabaliba,
.        Aenzienelijke geest, wreek u geleden schâ.
.        Hier zijn de beulen die u ’t gout ten halze uit knepen,
.        Daer krygers plonderden en priesters ’t lemmer slepen.
.                                               (Trazil, vs. 899-904)

Het gaat te ver om te zeggen dat Trazil spinozistisch getint is, maar het is wel duidelijk dat Van der Goes zijn oren open had staan voor al het nieuws dat er op de school van Van den Ende bediscussieerd werd. Na het tweede bedrijf schildert de ‘Rei van Tartarische Priesters’ een visioen van bosgoden:

.        Rontombekranste boschgodinnen,
.            En gy, ô vader van het woud,
.            Die het heelal in wezen houd
.        Door ’t onderlinge wederminnen,
.                                        (Trazil, vs. 739-742)

Over deze beschrijving van de Chinese godsdienst is nogal lacherig gedaan, maar hier zien we juist wat Antonides van der Goes met zijn spel wilde. De wederzijdse liefde (amor reciprocus) die het heelal in stand houdt (per leges et regulas naturae universales): het zijn termen die in de geschriften van Spinoza een belangrijke rol spelen. Antonides van der Goes heeft kennelijk van de discussies in de kring rond Spinoza voldoende opgevangen om een beeld te hebben van een pantheïstisch godsbesef. Hierover schrijven was niet ongevaarlijk in het Amsterdam van 1666, maar het Chinese decor kan veilig dienen als vehikel voor deze opvattingen. In deze rei gaat het blijkbaar niet zozeer om een reële weergave van de Chinese godsdienst, als wel om het ventileren van spinozistische termen die naar het idee van Antonides van der Goes universeel zijn en ook in het confucianisme passen.

Welke bron Antonides van der Goes voor de geschiedenis in zijn treurspel hanteerde is niet goed uit te maken, omdat feit en fictie bij hem erg door elkaar lopen. Veel van de namen van zijn personages heeft hij zelf verzonnen: de naam van de hoofdpersoon Trazil, maar ook Sochidon, Namolizont, Kamizame, Celione en Nojoza zijn niet Chinees. Anderzijds heeft hij zich wel aan de historische namen gehouden met Maövenlong, Lycungzus en de Tartaarse keizer Xunxi, zij het dat hij bij de laatste geen rekening houdt met het feit dat deze in 1644 pas zes jaar oud was. Een jongen van zes die een rebel de lendenen intrapt?

Trazil staat op de website van de opleiding Nederlands in Leiden, evenals de gedichten van Antonides van der Goes. Daar ook Vondels Zungchin (met bronnen en met vertaling in het Engels) en Het leven van Vondel door Geerardt Brandt.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , , . Bookmark de permalink.