Gedicht: Jan van Droogenbroeck – Twee ghazelen

• GHAZELE beteekent eigenlik lofgedicht , en is eene oorspronkelik Perzische vorm door Rückert en Platen bij den Duitscheren ingevoerd.

Tweede ghazele.
Wijn! breng hier!

Wijn, o Schenker! dat hemelsche goed, breng hier!
Die vloeiende vlammen, dien vlammenden vloed, breng hier!

Wijn, die het hert verheugt en den geest verrukt,
Die alle wee vergeten, belachen doet, breng hier!

Wijn, die vonkelt en flonkert, gelijk de dauw
In den kelke der bloemen bij morgengloed, breng hier!

Ik ben eene bie; men geve mij bloemen – glazen,
Dat ik er slurpe den honig zoet, breng hier!

Daar springt de kurk, daar klokkelt de flesch;
Hij speelt, hij spartelt… met spoed, breng hier!

Ha, du mijne wonne, hoe lachs du mij toe, mijne zonne,
Mijne vreugd, mijn geneucht, wees gegroet, breng hier!

Dat rilt mij door de aderen, dat warmt mij de borst,
Dat geeft mij kracht en leeuwenmoed, breng hier!

Schijn ik een dronkene reeds? – Haastig, nog meer;
De leeuw heeft geproefd der druiven bloed, breng hier!

Een, twee lekkere flesschen! ik wil niet
Gelijken den nuchteren menschengebroed’, breng hier!


Negende ghazele.
De wereld is zoo wild een woud.

De wereld is zoo wild een woud, zoo wild,
Daarin loopt menig dierken stout, zoo wild.

De bloeme bloeit er in de bonte weî;
De vogel zwiert er door het hout, zoo wild.

Men is er ’s morgens rijk, des avonds arm;
Men is er jong, men wordt er oud, zoo wild.

– Ik loop er als het vrije dierken voort,
Door dik en dun, door heet en koud; zoo wild.

Ik ledig mijnen beker, (schoon het lot
Mij soms een bitter bierken brouwt), zoo wild!

Eens had ik geld; dan zag ik, hoe de gek
Den nek brak, jagend achter goud, zoo wild;

Toen smeet ik snel de beurs van mij, – en thans
Zwier ik als vogel door het woud, zoo wild.

Jan van Droogenbroeck (1835-1902)
uit: Makamen en Ghazelen (1866)