Bloedwraak loont in Vondels Gebroeders (1640)

Door Ton Harmsen

Hugo de Groot is voor Vondel een grote steun geweest. Zij waren verbonden in hun gemeenschappelijke afkeer van de gerechtelijke moord op Oldenbarnevelt en in hun verzet tegen iedereen die deze misdaad goedkeurde. En met zijn Latijnse tragedies en met zijn commentaren op de Griekse tragici wees Grotius Vondel de weg van Seneca naar Sophocles. Voor de literatuurgeschiedenis is dat van enorme betekenis geweest. Toch is het contact met Grotius steeds minder geworden: de diplomaat in Parijs, en de lakenkoopman stonden te ver van elkaar. Het zal voor Vondel een geschenk uit de hemel zijn geweest dat in 1631 Gerardus Joannes Vossius op tien minuten lopen van hem vandaan kwam wonen: een belezen man met heldere ideeën over de geschiedenis van de tragedie, een kenner van de theorie en de praktijk van de antieke poëzie. Vossius verloor geen tijd aan andere zaken dan zijn onderzoek, en als er een gast in zijn studeerkamer binnenkwam draaide hij een zandloper om, om de bezoeker erop te wijzen dat hij de kortste keren weg moest wezen. En Vondel was ook niet iemand die vrienden zocht: zijn zeer omvangrijke werk is maar zelden van een lofdicht voorzien, in dat opzicht is hij absoluut een tegenpool van Constantijn Huygens. Maar Vossius en Vondel zullen elkaar van meet af aan interessant hebben gevonden, de grote literatuurhistoricus en de grote literator. Om hem te helpen bij de vertaling van Sophocles’ Electra in 1639 stuurde Vossius zijn zoon Isaac naar Vondel. Jarenlang bleef er contact tussen de dichter en de professor bestaan: het beroemde uitleenboekje van Vossius, een katerntje waarin hij noteerde wat hij aan wie uitleende, toont het aan.

Het is dan ook niet toevallig dat Vondel een jaar later zijn twaalfde tragedie, Gebroeders, opdraagt aan zijn nieuwe leidsman. Gebroeders is door Vondel opgezet als het christelijke equivalent van Electra: ook hier eist God bloedige wraak om te straffen en te vergeten. Bij nader inzien is het verschil toch wel heel groot: Orestes en Electra nemen wraak op de moordenaars van hun vader, niet omdat zij dat aan de Goden beloofd hebben maar omdat zij zich willen wreken. David voert een zogenaamd godsgericht uit: God heeft bij monde van een priester laten weten dat aan de driejarige droogte die Israël teistert alleen een einde zal komen als de wens van de Gabaonieten, wat zij ook eisen, voldaan zal worden om de schuld die de overleden koning Saul bij hen heeft te boeten. Het verhaal is ontleend aan 2 Samuël 21. Koning David voldoet aan hun exorbitante eis: hij levert zeven nakomelingen van Saul aan de Gabaonieten uit om ze na vernederende pijnigingen te lynchen. Deze zevenvoudige moord geschiedt dus op het gezag van de priester die voor David met God communiceert; noch de bijbel noch de dichter twijfelen aan dit gezag. Erasmus liet het Oude Testament met zijn wreedheden zoveel mogelijk links liggen, maar Vondel gebruikt er verschillende malen verhalen uit. Het lijkt wel of hij met zijn hoofd meer bij de imitatie van Sophocles tragedietechniek was dan bij de humanistische opvatting dat beschaving noodzakelijk is voor een gezonde samenleving – dat blind vertrouwen op priesters fatale gevolgen kan hebben.

Ook al is het onderwerp dat Vondel kiest naar mijn idee dan ook niet goed te verteren, als kunstwerk biedt deze tekst een grote rijkdom. Het spel heeft een sterke spanningsboog tussen het raadplegen van de priester die Gods oordeel uitspreekt, langs de aarzeling van David, naar de wanhoop van de moeders. David aarzelt geen moment over de waarheid van het godsgericht, hij vreest hooguit dat men hem zal verdenken van politieke nevenbedoelingen, omdat hij de zeven broers als rivalen beschouwt. Zijn discussies met Rispe en Michol die hun zonen terug komen eisen zijn een prachtig voorbeeld van levendige retorica. De argumenten die zij tegenover elkaar zetten zijn onverenigbaar: Davids politieke wil tegen hun moederlijk verdriet.

Zoals we bij Vondel altijd zien: de stijl van het treurspel kent vele facetten. Natuurlijk zijn de reien het meest lyrische in een toneeltekst. Bij Vondel zijn het vaak toneelstukjes binnen het toneelstuk, zoals in de rei na het eerste bedrijf die het raadplegen van God door David vergelijkt met de manier waarop Saul bij onbetrouwbare geesten te rade was gegaan. Op verzoek van Saul spreekt de geest van Samuël – of althans een grijzaard uitgedost in een koningsmantel. De rei spreekt de woorden van de geest uit, als die zich tot Saul wendt:

.            Wat steurtghe mijn’ gerusten slaep,
.            En roept my uit het naere graf,
.            O Vorst van God geslagen?
.            Ghy spaerde koe, en ram, en schaep,
.            En Agags hoofd, gedoemt ter straf,
.            En zult ’er straf om draegen.
.            Ick zie den purpren rock gescheurt,
.            En David op den troon gestelt.
.            Ghy zelf met uwe zoonen
.            Gevelt, gestroopt, beschimpt, gesleurt,
.            Daer ’t heir bedeckt het roockend veld,
.            Zult morgen by ons woonen.
.            Zoo sprack de geest, en nam de wijck.
.            De vorst was ’s andren daeghs een lijck.
.                                    (Gebroeders, vs. 167-180)

Salomon verwijt Saul dat hij koning Agag niet vermoord heeft; dat zal hemzelf het leven kosten. In de ogen van de zeventiende-eeuwse bijbellezer is dit blijkbaar aan beide kanten mis: men moet geen onbetrouwbare geest raadplegen, en men moet geen vijanden met hun vee sparen als het bevel is alles tot de laatste man en het laatste schaap te doden. Deze strofe is opgebouwd in vier terzinen waarin de geest van Samuël, of wat daarvoor doorgaat, aan het woord is, gevolgd door een distichon dat de afloop (de geest verdwijnt weer) en het gevolg (Saul sneuvelt de volgende dag in een gevecht met Filistijnen) vertelt. Het distichon is dreigender dan dat van Goethe: ‘Erreicht den Hof mit Mühe und Not; In seinen Armen das Kind war tot.’

In het laatste bedrijf doet een hogepriester aan David verslag van de executie. Hij maakt gebruik van een reeks uitvoerige vergelijkingen, die de Gabaonners, de beulen, karakteriseren en ook hun cynische commentaren weergeven. Vondel komt net niet tot een homerische vergelijking (die mondt uit in een hoofdzin), maar hij hanteert wel een reeks grote stijlmiddelen, die eigenlijk meer in het epos dan in een treurspel passen. Men zou de scène eens moeten vergelijken met de bodeverhalen van Arend van Amstel en van de pedagoog van Orestes. In de Gysbreght betreft het een hooggestemd dramatisch verslag, in de Electra een retorisch verbloemd fictief verhaal. Hier, in de Gebroeders, past Vondel weer een nieuwe techniek toe: hij geeft de chaotische situatie weer door een buiteling van beelden, hij beschrijft de slachtoffers en de beulen, soms voert hij ze sprekend in. Eerst vergelijkt de priester de positie van de Gabaonners honend met die van een ten dode opgeschreven everzwijn:

.            De Gabaonners, die, van heilge wraeck bezeten,
.            De zeven halzen, hecht gesloten aen een keten,
.            Vast sleepten, toonden hun het wraeckautaer van veer,
.            Uit woeste dartelheid, en woedden min noch meer
.            Als ’t boschzwijn, tegens moede en afgejaeghde honden,
.            Wanneer ’t schuimbeckende, om het smarten van zijn wonden,
.            Ten einde van geduld, kranckzinnigh gild, en balckt,
.            Een’ muil vol kiezen en twee blicken openspalckt,
.            En zijn vervolgers vat; die, uit den aêm geloopen,
.            Hun heete zwynejaght nu met den hals bekoopen.
.                                                            (Gebroeders, vs. 1553-1562)

Dan volgt zijn verslag van wat de Gabaonners zeggen, hun woorden zijn doordrenkt met triomfalisme en ironie,

.            Wy hebben nu, riep d’ een, gelicht het wolvenest,
.            Het leger rood van moord, en deze lamrepest,
.            Die toeley met den tand op byten, ryten, stroopen;
.            ’t Gebroed van ’t welck niet goeds voor herders stond te hopen,
.            Zoo vet een’ buit, als oit een jaeger opdoen kon.
.            Hoe willenze te pronck, gebraeden in de zon,
.            De luiperds noôn te gast, en arenden, en kraeien,
.            En hen met spieren, mergh, en brein, en oogen paeien?
.                                                            (Gebroeders, vs. 1563-1570)

Vondels ontmoeting met Vossius brengt hem blijkbaar nog dichter bij Sophocles, maar wat zijn stijl betreft kiest hij zijn eigen weg. In de reien is zijn taal klassicistisch, eenvoudig, ongecompliceerd. In de beschrijvende passages volgt hij de mode van zijn tijd, met barokke beschrijvingen en stijlfiguren die eerder in de epiek thuishoren. Dat zal Vossius hem niet hebben voorgeschreven. Met Vossius was ook Barlaeus naar Amsterdam gekomen; Vondel vergelijkt diens poëzie geregeld met die van de gekunstelde laat-klassieke dichter Claudianus. De plastische stijl die Barlaeus in zijn lofdichten hanteert dringt bij Vondel hier ook in het treurspel door.

Gebroeders is te lezen bij Ceneton: http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Ceneton/VondelGebroeders1640.html