Gedicht: Jan H. de Groot – Zoo’n luie kerel

Zoo’n luie kerel

Het was een jonge lentedag
In ’t bosch, lang uitgestrekt, daar lag
Zoo los en lui en loom
Een lummel van een kerel.
Die soesd’ en droomde zoo van niets.
Hij lag maar lui en dacht soms iets.
En ergens in een hooge boom
Daar floot een jonge merel.

Hij praatte zoo wat voor zich heen,
En schopte met z’n eene been.
Zoo lui en lang en loom,
Lag daar die jonge kerel.
Hij soesd’en droomde en luisterde
Naar al wat trild’en fluisterde.
En ergens in een hooge boom
Daar zong een jonge merel.

Hij beet een dorrend talke stuk,
in bêi z’n oogen lag geluk,
En lang en los en loom
Luiwammeste die kerel.
De zon scheen door het knoppend blad,
Een leutig windje stoeide wat,
En ergens in een hooge boom
Daar jubelde een merel.

Jan H. de Groot (1901-1990)
uit: Verloren liedjes (1932)