Bloedwraak leidt tot ellende in het schooltoneel

Door Ton Harmsen

Na al die voorspellingen voor 2042 toch maar weer iets over een toneelstuk uit 1742: koning Baasa roeit de familie van zijn voorganger uit. De Nederlandse literatuur is rijk aan Latijnse toneelstukken. Behalve tweehonderd complete, gedrukte teksten zijn er ook zo’n tweeduizend programmaboekjes met een synopsis van een toneelstuk bewaard. Een klein deel van die spelen is geschreven door humanistische literatoren: Daniel Heinsius en Hugo de Groot zijn daarvan de bekendste voorbeelden. Het overgrote deel van het Latijnstalige toneel is van de hand van schoolmeesters. Op de Latijnse scholen van de zestiende tot de achttiende eeuw was toneel een populair didactisch middel om de leerlingen vertrouwd te maken met conversatie in het Latijn. Er waren Latijnse toneelstukken genoeg om op te voeren: de antieke spelen van Plautus waren niet zo stichtelijk, maar die van Terentius waren, met enige aanpassing, bruikbaar. Wie de kinderziel niet wilde confronteren met bedrog en overspel moest echter zelf aan de slag om een spel te schrijven.
Bekende pedagogische auteurs zijn Guilielmus Gnapheus, Georgius Macropedius, Nicolaus Vernulaeus en Jacobus Zovitius. Dat zijn vogels van diverse pluimage, afkomstig uit alle windstreken, sociale lagen en geloofsovertuigingen. Hun productie wordt verre overtroffen door de katholieke geestelijkheid die in de zuidelijke Nederlanden de scepter zwaaide over tientallen Latijnse scholen: de Oratorianen, meer nog de Augustijnen en veel meer nog de paters Jezuïeten.

Er is inmiddels veel gepubliceerd over het Neolatijnse toneel van de Lage Landen, door Karel Porteman, Goran Proot, Jozef IJsewijn, Jan Bloemendal en vele anderen. Toch is het nog altijd slecht ontsloten. Van veel van die toneelstukken is er maar één exemplaar in de Bibliothèque Nationale of in het archief van Oudenaarde. Voor een goed overzicht zal dan ook nog heel veel veldwerk nodig zijn.

Ook hier blijkt de digitale snelweg een zegen te zijn. Een deel van de enorme verzameling in de Universiteitsbibliotheek van Gent is gedigitaliseerd door books.google, en een convoluut in de Universiteitsbibliotheek van Antwerpen met ruim 250 spelen staat prachtig gedigitaliseerd op het internet. In de uitgebreide lijst van toneelstukken op de website van Ceneton staat een verwijzing naar die facsimile’s. Daarbij vergeleken is het aantal transcripties dat is uitgegeven in Ceneton nog heel klein.

Zo vindt men bij Ceneton een serie toneelstukken over koning Baasa van Israël. Hij heeft Jeroboams zoon Nadab vermoord, en regeert nu in zijn plaats. Dit gruwelijke verhaal is ontleend aan het eerste boek Koningen in de bijbel. Ik ben al geschokt door Vondel, die unverfroren zeven prinsen laat lynchen om van God een regenbui te krijgen, maar dit is wel van een ander kaliber. Alleen al in hoofdstuk 15 van Koningen I vinden tientallen moorden plaats, en dat niet om een verdedigbare reden maar alleen uit machtswellust. De bloedwraak van David was nog ergens goed voor, die van Baasa leidde alleen maar tot diepere ellende.

Het is dus merkwaardig dat de Gentse Jezuïeten hun pupillen dit schokkende verhaal lieten opvoeren, en haast nog merkwaardiger is de opgewekte toon waarop zij het spel aan de Gentse magistraat aanbieden. Hun redenering is, dat de goddeloosheid van de Israëlitische koningen leidde tot dit bloedvergieten, en dat de vroomheid van de Gentse overheid daarentegen zal leiden tot geluk tot in lengte van dagen. Dat is hun excuus is om de leerlingen van de Latijnse school tot moord en doodslag te bewegen. Hetzelfde verhaal werd ook in Mechelen, Antwerpen en Munsterbilsen door leerlingen uitgevoerd.

Bij Ceneton zijn drie programmaboekjes uitgegeven, of eigenlijk vier: in Gent verscheen in 1742 een uitgebreid programma in het Latijn en een kortere versie in het Nederlands. In 1770 brachten de Jezuïeten van Mechelen een Latijnse versie uit, en zes jaar later die van Munsterbilsen een tweetalige, gedrukt in Maastricht. De synopsis van Antwerpen ligt nog te wachten in de bibliotheek van het Plantijnmuseum.

De programmaboekjes omvatten vier of acht pagina’s. Er staat een korte beschrijving van de inhoud in, met vermelding van de bron waar de intrige aan ontleend is – in dit geval 1 Koningen 15. Omdat de twee boeken Samuel in de katholieke bijbels van de zeventiende en achttiende eeuw werden aangeduid als 1 en 2 Koningen heet de bron hier 3 Koningen 15. Dat ‘Kort begryp’ is niet veel meer dan een verwijzing naar de bijbelplaats; de intrige van het toneelstuk is ingewikkelder dan daar beschreven wordt. De paters hebben er een aantal personen bij verzonnen, of misschien ontleend aan een eerder gepubliceerde verhalende tekst. In ieder geval treden er personages op die niet in de bijbel voorkomen. Ook de namen van de spelers zijn afgedrukt:

.        BAASA Koninck van Israël, Joannes Annez, Rhet.
.        ELA Sone van Baasa, Petrus vander Maeren, Rhet.
.        MANAHEM vrient van Baasa en Onana Maximilianus della Faille, Poët.
.        ARSA Oversten van het Hof, Andreas Cunninghame, Rhet.
.        ONANA Weduwe van Nadab Gabriël van Rekendale, Rhet.
.        SENON Sone van Nadab Joan Bapt. vanden Heede, gram.
.        CINOTHA Dochter van Nadab Franciscus Moeraert, fig. min.
.        JERIEL Oversten der Ruyterye, Guilielmus vander Heecken, Rhet.
.        ZAMBRI Oversten der Voetgangers, Guilielmus vander Vivere, Gramm.

U begrijpt dat die voetgangers infanteristen zijn, in het Latijn zijn het pedites. Op de namen van de leerlingen volgt een aanduiding van hun klas. Wat wij nu de eerste klas noemen heette op de Latijnse scholen de Figura minor, en de tweede de Figura major. Blijkbaar zat er onder de jongste leerlingen van de school al toneeltalent, want de dochter van Nadab wordt gespeeld door een leerling uit de Figura minor. Dan volgen de Grammatica, Syntaxis, Poëtica en Rhetorica. In de spelerslijst bij Baasa komen dus (in moderne termen) een eersteklasser, twee derdeklassers, een vijfdeklasser en vijf zesdeklassers voor.

Het Latijnse programmaboekje is voorzien van een illustratie, het stadswapen van Gent: een uiterst aaibaar leeuwtje dat de Gentse stedemaagd in haar besloten tuin knuffelt. Erboven staat de opdracht aan de Gentse overheid in de vorm van een chronogram dat het jaar van de opvoering noemt: 1742. De heilwens onderaan voorspelt in vergiliaanse termen  dat de maagd en de leeuw een gelukkig zullen zijn zolang  de vroomheid, de oude trouw en de godsdienst in Gent zullen bloeien. Tot zover is er geen vuiltje aan de lucht, maar nu nog even over de tekst zelf.

De vijf bedrijven worden samengevat in vijf alinea’s. De eerste is een expositie:

Wanneer Baasa sigh buytenspoorighlyck verhooveirdigt over den buyt ende syn Ryck, versekert Ela, dat die door den sone van Nadab sal ontnomen worden; het welcke den Koninck vreesende sweert met de syne de doodt van Senon, ende beveelt de sorge van hem te vatten aen Manahem; de welcke hy wel aenneemt, maer terstont hier over leedtwesen hebbende stelt vast Senon te hulpe te komen.

Baasa’s zoon dringt er dus op aan het nageslacht van de verdreven koning uit te roeien. Manahem toont enige menselijkheid, maar ver komt hij er niet mee. Senon, de kroonprins die Baasa bedreigt, is opgejaagd wild. Zijn moeder Onana en zijn zuster Cinotha zijn veel te goedgelovig, en veroorzaken daardoor Senons arrestatie. Ze doen alle mogelijke moeite om vergiffenis voor hem te krijgen, maar het is vergeefs. Zij werken zichzelf steeds verder in de nesten, totdat in het laatste bedrijf even hoop gloort:

Den Koninck eerst twyffelachtig oft hy de Vrauwen soude spaeren, ende daer naer door den raedt van Ela het selve vast-gestelt hebbende, schenckt het leven ende de vryheyt aen Onana ende Cinotha. Dese verbaest staende over het overwacht weldaet versoecken deselve gunste voor Senon. Baasa veynsende het versoeck toe te staen schenckt aen de Moeder haeren Soon te samen met de Neven van de honden verscheurt. Welcke rasernye Cinotha ende Onana soo heftig verwyten, dat de Konick hun doet wegleyden ende met geheel het Vrouwe geslagt dooden. Alsoo is’t dat Baasa te laetsten roemt dat hy de Scepter van Israël voor sig ende synen Soon versekert heeft.

Triomfalisme na wrede intriges. Het kwaad overwint, van poëtische gerechtigheid is hier geen spoor te vinden. Afgezien van enkele verzonnen details die dienen om het mooier en spannender te maken volgt de leraar die dit opgesteld heeft precies het verhaal van de bijbel. Het gruwelijke optreden van Baasa die zijn rivalen door de honden laat verslinden en hun vrouwelijke familieleden laat ombrengen beelden de leerlingen zonder commentaar op het toneel uit. De les die men er blijkbaar uit moet trekken is dat er vreselijk slechte mensen bestaan, maar hoe men zich daartegen kan verweren maakt dit spel niet duidelijk.

De Nederlandse tekst die ik citeer is een tamelijk letterlijke vertaling van het meer uitvoerige Latijnse programma; waarschijnlijk bedoeld voor de ouders en vrienden die naar de voorstelling kwamen kijken maar geen Latijn verstonden. De programma’s van Mechelen en Munsterbilsen wijken inhoudelijk nauwelijks af van de tekst van 1742.

De spelen zijn bij Ceneton te vinden:
Baasa delens stirpem Jeroboami (1742) door Jezuïeten van Gent
Baasa vernietigende het geslacht van Jeroboam (idem)
Baasa delens stirpem Jeroboami (1770) door Jezuïeten van Mechelen
en het tweetalige
Baasa delens stirpem Jeroboami en Baasa uytroeyende het geslaght van Jeroboam (1770) door Karmelieten van Munsterbilsen