Taal en slavernij

Door Marc van Oostendorp

“Deze mengtaal”, schreef John Stedman in 1790 over het Sranan, de taal van de meeste Surinamers, “is zo zoet en welluidend dat er zelfs in het beschaafdste Europese gezelschap niets anders gesproken wordt in Suriname; ze is ook uitzonderlijk expressief en rijk aan gevoel.”

Dat blanken aan het eind van de achttiende eeuw zo positief over het Sranan dachten is nieuws. Het nuanceert het beeld dat het in de kolonieën een taal waarin de slaven, afkomstig uit verschillende Afrikaanse taalgebieden en gedwongen te communiceren met hun blanke slavendrijvers, onderling met misschien ook met de meesters, spraken. Het was een taal die ook de blanken gebruikten en zelfs apprecieerden.

Er werd in die tijd wel verschil gemaakt tussen twee variëteiten: bakra tongo en nengre tongo, de taal van respectievelijk de blanken en de zwarten. Die verschilden bijvoorbeeld van elkaar doordat de blanken meer woorden uit het Nederlands gebruikten (deki voor ‘dik’), terwijl de zwarte sprekers eerder bijvoorbeeld Engelstalige woorden gebruikten (biggi).

En masse

In dit uitvoerige standaardwerk toont Jacques Arends zich een meester van de nuance. Hij laat zien hoe oneindig gecompliceerd de ontstaansgeschiedenis van de talen van Suriname – naast het Sranan richt hij zich vooral op het Saramaccaans, de belangrijkste marrontaal – is geweest.

En hoe die nuance de raadselen soms kan verminderen. Het lijkt bijvoorbeeld vrij wonderlijk dat het Sranan zo duidelijk op het Engels leunt, terwijl de Engelsen de kolonie slechts een korte periode hebben beheerd, waarna er eeuwen van Nederlands bestuur zijn geweest. Volgens Arends moeten we daarbij niet over het hoofd zien dat de Engelsen al in het gebied aanwezig waren voor ze een officiële kolonie stichtten, en dat ze, anders dan veel bronnen aannemen, ook niet meteen en masse vertrokken. Bovendien was Suriname ook onder Nederlandse bestuur altijd een veeltalig gebied, zelfs waar het alleen maar ging om de blanken, bijvoorbeeld omdat er een relatief groot aandeel Sefardische joden waren, die Portugees en Spaans spraken.

Alomvattende theorie

De gevestigde taal kon zich daardoor ontwikkelen zonder overheersende invloed van één andere Europese taal. (Misschien heeft het feit dat de Nederlanders hun eigen taal nooit erg voorop stelden in hun politiek ook een rol, maar daar heeft Arends het niet over.)

Een groot deel van Language and Slavery bestaat uit wat ‘externe taalgeschiedenis’ heet. Je kunt het lezen als een gedetailleerde geschiedenis van de plantagekolonie Suriname van het eind van de zestiende tot en met het midden van de negentiende eeuw. Met gebruikmaking van een overstelpende hoeveelheid bronnen laat Arends zien hoe complex de verhoudingen waren – dat de slavensamenleving bijvoorbeeld zelf weer een sociale gelaagdheid kende, die zijn weerslag gehad moet hebben op de Surinaamse talen.

In het tweede deel gaat hij bovendien in op wat we weten over de ontwikkeling van de verschillende talen en geeft hij een uitgebreid overzicht van materiaal uit oude bronnen. Het is niet de bedoeling van de auteur om zelf een alomvattende theorie op te stellen over hoe het Sranan en het Saramaccaans zijn ontstaan, maar hij draagt een grote hoeveelheid bouwstenen aan.

Honderdduizenden

Of eigenlijk moet ik zeggen: droeg, want Jacques Arends heeft dit boek nooit kunnen afmaken omdat hij in augustus 2005 plotseling overleed. In zijn nalatenschap werd een groot aantal concepthoofdstukken aangetroffen, in min of meer voltooide staat. Crit Cremers heeft de ook al weer bewonderenswaardige taak op zich genomen om uit die manuscripten dit boek samen te stellen, daarbij geholpen door Adrienne Bruyn, Eithne Carlin, Saskia de Haan en Norval Smith.

Al dat werk heeft een indrukwekkend resultaat opgeleverd, waarschijnlijk een van de belangrijkste Nederlandse taalkundige publicaties van dit jaar: een weergaloze geschiedenis van een aantal mateloos interessante talen, die ooit onder barre omstandigheden op Nederlandse bodem zijn ontstaan en hier nog steeds door honderdduizenden worden gesproken.

Jacques Arends. Language and Slavery. A social and linguistic history of the Suriname creoles. Amsterdam: John Benjamins, 2017. Bestelinformatie bij de uitgever.