Met trotschen mannenwil

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (118)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Zo’n honderdtwintig jaar geleden brak in zekere zin het sonnet pas echt door. Ze waren hier al meer dan 330 jaar geschreven – als intellectueel spel voor de elite, als uiting van liefde, als poging om de Italiaanse Renaissance te evenaren, of de Nederlandse Gouden Eeuw, of uit lust om dat alles te bespotten.

Maar rond de eeuwwisseling tussen de negentiende en de twintigste eeuw konden dichters ineens over alles sonnetten schrijven, en dat niet alleen in Nederland, maar ook in Vlaanderen. Over taalpolitiek, bijvoorbeeld. In dit sonnet bezingt Prosper van Langendonck bijvoorbeeld de prachtige taal die er in Nederland gesproken wordt:

’t Is wel die gulden mond uit ’t koele Noorden,
Die ons met warmen woordenklank begroet, –
De teedre en forsche toon dier volle accoorden,
Gedragen op dien inn’gen hartegloed!

Wees, Ziener, ons gezegend om die woorden…
Lang dreunt hun nagalm door ons diepst gemoed;
Al wat we, luistrend, in ons zelven hoorden
Is ‘t, dat uw stalen stem weerklinken doet.

Wij wéten ’t doel, den plicht. Met ’t zwaard van kennis
En woord gewapend, staat een sterke jeugd,
In steev’gen drom, door storm en strijd verheugd,
En weert van Vlaandren iedre Fransche schennis.

Onstuitbaar stijgt ze, in zegetocht, naar boven,
Met trotschen mannenwil en kinderlijk gelooven.

Ik zou geloof ik niemand willen aanraden om dit gedicht op zijn schouderblad te laten tatoeëren. De metaforen buitelen op een nogal rare manier over elkaar: een gouden mond met een stalen stem waaruit warme klanken komen.

Deels speelt de dichter natuurlijk ook wel bewust met die paradoxen: dat warm en koud, en dat teder en fors staan niet voor niets zo dicht bij elkaar, zoals het gedicht ook eindigt met de tegenstelling tussen man en kind.

Het Nederlands is zo’n ongelofelijk fijne taal dat de dichter niet kan kiezen. Maar in ieder geval is het mannentaal die daar uit het noorden komt klinken, terwijl de Vlamingen dan eerder ‘jeugd’ zijn, ‘kinderlijk’.

Een vrouw ontbreekt. De vijand is ‘Fransch’, maar die maakt zich schuldig aan ‘schennis’ en dat is in het soort mythologieën waarmee dichters als Van Langendonck opereerden nu ook niet echt een vrouwelijke bezigheid – en toch ook vooral toebehouden aan mannen. Dit gedicht is er niet één om op je schouderblad te tatoeëren, maar om op een banier af te drukken en daarmee dan een chaotisch strijdperk op te rennen.