Gedicht: E. du Perron – Filter

Filter

Die huizen zijn wel ’t meeste schoon
waar Kristuskoppen op de muren
gladharig naar de zoldring turen,
de meid draagt er een doornekroon.

*

De heer stond bij de daffodil,
het wolkenheer begon te scheuren,
o Heer! wat gaat er nu gebeuren?
de heer zoekt vruchteloos zijn bril.

*

Albertus’ schaamtevolheid staat
hem niet toe ronduit te vertellen
hoe ’t modedeuntje hem blijft kwellen
van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.

*

Lachwekkend springt ons evenbeeld
uit soeplepels en koffiekannen
en uit het speeksel van wat mannen
met wie wij hebben valsgespeeld.

*

De klacht van rozen door de nacht,
door wind verkracht, en van seringen
te zingen met veel handewringen,
maar neen, wij hebben ons bedacht.

*
‘En zal nu nooit de maan meer wenen?
en zijn nu alle kosters dood?
en komt nooit meer een zilvervloot?’
vroeg B. met béribéri-benen.

*

En wat zei laatst tante Sofie
wier endeldarm begint te slijten?
‘Al die abstrakte kleurtapijten
zijn ook een soort teosofie.’

*

De melkweg is ook lichtreklame,
een huis lacht scheef aan de overkant,
mijn vriend gaat uit en hand in hand
met een gemodereerde dame.

*

De minnaar-held! … geen degen laait,
doorsteek hem met uw tong, messire;
dat Schraalhans nooit uw pot bestiere,
de treurwilgen zijn omgewaaid.

E. du Perron (1899-1940)
uit: Poging tot afstand (1927)

 

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.