Water en taal

Door Marc van Oostendorp

untitled_artwork-1Een taal is geen stroompje, maar een grote, brede rivier. Traag stroomt ze permanent in de richting van de zee. Als je iets dichter bij kijkt, zie je golfjes die in de richting van de oever gaan. En nóg dichterbij, onder de microscoop, bewegen de moleculen alle kanten op.

Zo is het ook met de taal. In de loop van de eeuwen gaat ze een bepaalde richting op. Het Nederlands verandert bijvoorbeeld in een naamvalsloze taal; die verandering is in de 14e eeuw voortgezet, nu hebben we alleen nog een paar naamvallen voor de persoonlijk voornaamwoorden (ik/mij), maar ook die zijn langzaam maar zeker aan het wegslijten.

Een niveau lager zijn er wat gedetailleerdere veranderingen, die zo’n beetje alle kanten op gaan. Sommige mensen zeggen groter als en anderen zeggen groter dan. In sommige perioden komt het ene meer voor, in andere het andere, het is niet duidelijk dat een van de twee vormen ooit ‘wint’.

En nóg een niveau van detail lager, in het alledaagse leven, beweegt alles in drie dimensies. Een populair woord komt op, wordt door een bepaalde groep overgenomen en sterft na een tijdje weer uit; tegelijkertijd vindt een andere groep het een tijdje heel grappig om zus-of-zo te praten, terwijl weer een andere groep een kortstondige fascinatie voor ouderwetse uitdrukkingen aan den dag legt.

Dezelfde stad

Om dat laatste soort taalverandering voor taal wetenschappelijk te onderzoeken zijn de sociale media een zegen. Ineens vind je grote hoeveelheden gegevens waarop je statistische modellen kunt loslaten. Je kunt zien hoe een nieuw woord zich verspreidt over netwerken van volgers: zijn mensen bijvoorbeeld vooral geneigd om woorden over te nemen van populaire twitteraars? Hoe snel verloopt de verspreiding precies? Wat voor soort taalverschijnselen verspreiden zich het gemakkelijkst?

Het is het onderwerp van een recent artikel (‘The Social Dynamics of Language Change in Online Networks‘) van een groep Amerikaanse onderzoekers. Ze laten zien hoe belangrijk sociale banden zijn bij de verspreiding van fenomenen: of twee twitteraars veel met elkaar in gesprek zijn, voorspelt bijvoorbeeld veel beter of ze dezelfde dialectwoorden gebruiken dan of ze daadwerkelijk uit dezelfde stad komen.

Hippe woorden van 100 jaar geleden

Het zijn fascinerende resultaten, al leidt de retoriek van de onderzoekers een beetje af. Ze doen eigenlijk net alsof taalkundigen die taalverandering onderzochten tot nu toe in het duister tastten omdat ze het prachtige middel van Twitter niet hadden, maar ze lijken niet te zien dat de verandering die ze onderzoeken vooral gaat over het microscopische niveau (dat inderdaad met andere middelen moeilijker te onderzoeken is), terwijl niet onmiddellijk duidelijk is hoe dat niveau zich verhoudt tot hogere niveaus van verandering. Heeft de moleculaire beweging wel iets te maken met het feit dat de rivier naar de zee stroomt?

De onderzoekers lijken er vooral vanuit te gaan dat grootschalige verandering vooral een optelsom is van alle kleine veranderingen, maar het soort veranderingen dat ze onderzoeken is nogal oppervlakkig. Het gaat over het fonetisch spellen van woorden en het gebruik van dialectwoorden: typisch enigszins modieuze verschijnselen die zich inderdaad gemakkelijk via sociale media verspreidden, maar die ook al snel als achterhaald worden beschouwd, niet langer in de mode. De hippe woorden van 100 jaar geleden gebruikt nu niemand meer.

Nu pas

Het is geen kritiek op het feitelijke onderzoek, dat is heel interessant, al heeft het ook zijn beperkingen (Twitter is niet echt het dagelijks leven). Maar het is wel kritiek op de manier waarop anderhalve eeuw van taalkundig onderzoek (waarin taalverandering al heel lang centraal staat en dat tal van inzichten heeft opgeleverd) wordt weggezet. Het zou beter zijn om dit soort nieuwe onderzoekstechnieken te integreren in bestaande inzichten dan net te doen alsof we nú pas kunnen beginnen iets te begrijpen.